Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

■werk terug; maar niet het fijn-genuanceerde van de klanken naast elkaar, niet het trillen en het kchten van de woorden, ieder op zijn eigene, hem alleen passende plaats, niet de vertastbaring van het intiemste leven van de ziel, die ieder goed vers tot iets zóó innigs maakt en" zóó gevoelds, iets zóó teederfijns, dat het op een levend organisme gelijkt. Rhetorici kunnen zeer intellectueel wezen, artistiek zijn rhetorici nooit".

Deze waarheid heeft Kloos telkens aangetoond o.a. in zijn geestigen aanval op de rbetoriek van Schaepman (Veertien J. L. G. II).

Iu de hierboven zoo eenvoudig en meesterbjk verklaarde opvatting van beeldspraak bgt eigenlijk een weldra gevolgde uitspraak besloten, waaraan velen zich geërgerd hebben omdat zij baar averechts hebben uitgelegd als een aansporing tot excentriciteit. Het is, in de Kroniek over Gorter's Verzen, de bewering: „In 't algemeen slechts kan men weten, dat kunst de aller-individueelste expressie van de aüerindividueelste emotie moet *i/n" 1).

In een strakke stelling het vloeiende, veel verscheiden leven der kunst te vangen, is onmogebjk. Dit mogen we bij het lezen van Kloos' uitspraak niet vergeten, en evenmin mogen we uit ket oog verbezen dat hij in de kroniek waarin deze regel voorkomt, voor de lezers yan De Nieuwe Gids de sterk-persoonbjke verskunst van Gorter wilde recktvaardigen, om kun geest er wat meer ontvankebjk voor te maken. Kloos keeft hier in 't bijzonder gedacht aan de lyrische poëzie, de individueele poëzie bij uitnemendheid; hij bewonderde de frissche natuorbjkheid van Gorter, die niet naschreef wat anderen vóór hem hadden geschreven, maar een eigen, nieuwe taal maakte voor zijn eigen, nieuwe emoties.

„Als ket waar is, dat de eerste taal ook de eerste hteraire kunst was, en dat ket de kunstenaars waren, die te allen tijde aan de taal ket karakter gaven, dan keeft een waaracktig dienter ook nog heden ket recht de individueelste détails zijner emotie weer te geven door mdivi-

dueele expressies, die nu niet juist in de grammatica staan En

dat bedoelde ik, toen ik. in den aanvang dezer studie beweerde, dat Herman Gorter nog meer met zijn taal doet dan zingen of spreken, dat hij eenigermate de taak vervult der primitiefste geslachten en ook aüe dichters, dat hij nieuwe taal maakt.

Doet Gorter dat nu een beetje opmerkebjker dan andere dichters, dan is dat alleen een bewijs, dat hij 't noodig heeft, omdat zijn gevoel,

1) Veertien Jaar Lit. G. II, 148.

Sluiten