Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo veel sterker en fijner dan van die andere dichters, ook een individueeler expressie verlangt".

Kloos — hier komt het op neer — wilde vooral den lyrischen dichter eenige vrijheid gunnen in zijn taal en prosodiè, en rustig afwachten wat er van dat nieuwe in de algemeene taal zóu overgaan. De betrekkelijkheid van de befaamde stelling blijkt tenslotte voldoende uit zijn inzicht dat bij alle wenschelijkheid van taalvernieuwing, traditie onvermijdelijk en verstaanbaarheid een vereischte is. Voor de verstaanbaarheid verwijs ik naar het slot van het eerste stuk dezer studie over Gorter; voor de traditie citeer ik uit de veelbesproken Inleiding tot Jacques Perk de passage:

„Ieder tijdvak in de geschiedenis der letteren, iedere dichter-schook heeft haar eigen taal en haar wijze van haar innerlijk leven in beeld te brengen, die bepaald wordt door de bijzonderheid van tinten en omtrekken, associaties en wendingen, rhythmen en dicht-vormen, die zij gedeeltelijk schept, gedeeltelijk van anderen, ouderen overneemt'''. *

Al beoogde Kloos met zijn „aller individueelste expressie" dus een verdediging van Gorter's uitzonderlijke lyriek en in 't algemeen van de vrijmachtigheid des dichters, hij heeft er niet meê willen zeggen, dat deze zich nu juist ongewoon of zonderling moet uitdrukken: de gewoonste woorden kan bij iets van zich zelf meegeven, iets allerindividueelst, om zijn zeer individueele ontroering op anderen over te brengen. Dit feit moge voortaan allen verkeerden uitleg van zijn woorden voor goed den pas afsnijden. Ik zou dit, buiten Kloos om, willen waarmaken door een voorbeeld dat ik aan Vondel ontleen, en kies kortheidshalve een paar strofen uit het bekende gedicht, waarmee Vondel zijn vriend Constantijn Huygens trachtte te troosten over den dood van zijn gemalin, Suzanna van Baerle. De allereerste emotie bij den dichter was de drang om te troosten, en deze gemeen-menschebjke aandoening werd tot iets keel bizonders, iets aller-individueelst: ze zette zijn verbeelding aan het werk en deze tweede emotie, de dichterbjke, dicteerde hem de onsterfelijke, zoo oorspronkebjkbeeldende verzen die wij allen kennen:

Is Zuilichem een sterke zuil, Hij wankle niet,....

Immers, ket treuren kan den doode niet baten, en „voédt des levenden verdriet". En bovendien; al kon Huygens' luit de harp van Orpheus zelfs verdooven, „[bij] speelt haar geest niet weder boven".

Sluiten