Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En -waar dit mooglijk te geselden, Gij zondt niet laten óm te zien, En haar verliezen, nat beschreid. Daar 't licht en nare duister scheidt. Uw morgenstar zou u ontzinken, Daar onze zon begint te blinken.

Wat moeit gij 't onverhidzaam hol: Uw scboone bloem is in haar bol Gekropen om weer op te staan, Daar kaar geen hagelsteenen slaan, Nock al te keete stralen roosten. Gij kunt u met d'afzetsels troosten,

D'afzetsels, daar kaar ziel in leeft,

Haar geest en zedigheid in zweeft.

De mensch, die, naar het oog, vergaat,

Herleeft, onsterflijk in zijn zaad.

Al sckijnt de zerk 't gezicht te hinderen,

Men ziet de moeder in haar kinderen.

Der kindren wakkere oogen zijn

De spiegels en ket kristaUijn,

Waarin der ouderen gelaat

En schijn en aanschijn voor ons staat.

't Zijn onversierde schilderijen,

En verven, die ons hart verbüjen.

Dit is afler-mdividueelste expressie en, daar vorm en inhoud één zijn, bewijzen deze verzen dat ook Vondel's ontroering aUer-individueelst was. Daardoor hooren we in dit en honderd andere gedichten van Vondel dat éénige, onnavolgbare geluid, dat we nergens anders hooren en waaraan we Vondel uit duizend dichters onmiddeUijk herkennen. En zóó is ket ook met de verzen van Wfflem Kloos en met aUe oorspronkelijke poëzie.

Iets over de algemeene strekking en beteekenis van enkele kronieken.

Met de verklaring van deze tkeoretiscke beginselen welke we in de Veertien Jaar Literatuur Gesckiedenis verspreid aantreffen, keb ik,

Sluiten