Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In Memoriam Jacques Perk (1881) is in zekeren zin een voortzetting van het vorige opstel; maar de toon is ernstig. Verre van verguizer van het voorgeslacht te zijn, een niets ontziende afbreker van het oude, erkent Kloos „den weldadigen invloed dien de hartekjke zangen van een Beets, een Ten Kate, een de Génestet op velen onzer landgenooten kebben uitgeoefend".

Hij -wil „geen nutteloozen, noodeloozen, en allerminst passenden aanval wagen op den welgevestigden", eerlijk verdienden roem van

de koorleiders onzer Nederlandsche zangrenrei" maar alleen

nogmaals in herinnering brengen, dat onze poëtische literatuur „niet in staat is, de ziel te bevredigen, die gevoed met de schoonheidsschatten van vroegere eeuwen, en staande op de hoogte van de hare, nu de blikken naar eigen bodem wendt". Hij raadt daarom den jongeren wien het ernst is met de verheffing onzer letteren, ter school te gaan bij de Engelscben en de Ouden. Van de eersten zouden zij kunnen leeren, wat de wereld verlangt van hen, die waarachtig dichter willen heeten; van de laatsten, hoe „de hoogste kunst den hoogsten eenvoud de hand reikt hoe helderheid en scherpte van conceptie en uitvoering niets laat zeggen wat te veek niets wat te weinig kan genoemd worden".

„De Génestet stierf, toen men een nieuwe periode in zijn ontwikkeling kon verwachten. En Perk werd weggenomen, toen kij genoeg had gedaan voor de belofte, maar voor de vervulling werken ging". Wat die belofte inhield laat Kloos dan zien. Het is een levendig en hooggestemd stuk proza, dit In Memoriam. Eindebjk is daar dan weer de schoonheid gekomen, met Perk's Mathilde, eindebjk is de befde weer verschenen, niet „als een eerzame huismoeder, of een blozend juffertje of ook wel ter afwisseling als een welgevoede boerendeerne", maar als de „deinè Theos", de ontzagwekkende Godheid, die de gansche natuur beheerscht; „hiermede heeft onze bteratuur zich vastgeknoopt niet aan het gebabbel en gezucht over de nunbjke oogen onzer vaderlandsche Agnietjes en Maria's, maar aan het hefelijkste en verhevenste van wat de verzonken geslachten hebben gezongen".

De Voorrede voor Perk's Mathüde (1882) van den 23-jarigen Kloos, zoo rijk aan inhoud, met zijn voor die dagen verrassend nieuwe beschouwingen, gekleed in een stijk trillend van poëtische ontroering, heeft altijd gegolden als een meesterwerk, altkans een schitterende belofte. Hij zelf heeft later dien lof overdreven gevonden, daar het za. ver achterstaat bij het proza van zijn rijperen tijd, „als een, in vergehjking ontzettend moeilijk, steentje voor steentje, zoowel van stijl

Sluiten