Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van kritiek paste. Soms paste een kaakslag: „Er zijn dichters, die der Muze een klap in ket aangezicht geven, en de eenvoudigste manier voor den kriticus is in dat geval, kun met een evenzoo klinkenden kaakslag die majesteits-schennis betaald te setten. Dan doen ze het zoo bcht niet meer" *). Of, als het goedaardige nullen waren of afgezakte middelmatigen, dan maakte bij er een grap van en solde met de slachtoffers, op een vermakelijke manier. Op Honigh, Waalner, Knoppers, Doedes, Bohl en een paar anderen heeft hij deze methode toegepast. En hoe raak keeft hij geslagen in zijn Onbevoegdheid der HoUandsche hteraire kritiek! Maar van den anderen kant; koe kiesch kan hij zijn, hoever blijft bij verwijderd van grofheid in het aanwijzen van tekortkomingen bij veel goeds; hoe toont hij sijn takt, waar hij, zonder dat een dichter het hoogste heeft bereikt, een sprankje van talent waardeeren mag. Men kan ket zien aan zijn wei-afgewogen, met kritiek gemengden lof voor schrijvers als Beets, De Génestet, ToUens, Vosmaer, Huet en anderen:

„ToUens was niet groot en ToUens was niet prachtig, maar ToUens kon van tijd tot tijd, o soo natuurlijk en o soo eenvoudig zijn" — (Veertien J. L. G. II, 157).

„Het sou oneerbjk sijn, of tenminste van weinig wijsgeerige ontwikkebng getuigen, zoo iemand den weldadigen invloed ontkennen ging, dien de hartelijke zangen van een Beets, een ten Kate, een De Génestet op velen onzer landgenooten hebben uitgeoefend. Indien men tevens slechts erkenne, dat deze juist diegenen waren, wier opvoeding of aanleg hen in den weg stond, om verder door te dringen in de diepten van het leven en de kunst, dan noodig is, om in ket liefelijk geluid der „Damiaatjes", in ket zackte lamplicht van „JongHollands binnenhuisje", of in de vreedzame ontvouwing der Scheppingsdagen, een weerklank, een afglans, een beeld van eigen gemoed en geest te vinden. Maar de dragers der namen, die ik noemde, zullen zelf de eersten zijn, om toe te stemmen, dat zij voor kun volk, en niet voor de wereld, voor den braven burger en niet voor den dienaar van het schoone hebben geschreven; en wij moeten dankbaar wezen voor de ingetogenheid, die hen deed geven wat zij hadden, maar hen weerhield van te haken naar dien verlokbjker, doch hoogeren lauwer, rustend in de handen van Hem, „wien 't soet is om te zien, maar te volgen bitter" " *).

Er rijn meer plaatsen waar Kloos rich in dergelijken zin over ge-

1) Veertien Jaar lit. 6. I, 82.

2) Veertien Jaar Lit 6. I, 69. „Hem" — Apollo.

Sluiten