Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noemde dichters heeft uitgesproken. Er behoorde een onpartijdig inzicht toe, benevens een kiesche takt om het werkelijk goede in hen te waardeeren, daar de Tachtigers vijandig stonden tegenover de voorafgaande dichtschool. De hoofdleider van De Nieuwe Gids heeft de besten van dat geslacht billijker beoordeeld dan Van Eeden het parodieerend in zijn Grassprietjes heeft gedaan.

Geesf.

Geestigheden, niet te pas gejaagd, maar spontaan opduikend in het beloop van den stijl en op de juiste plaats aangebracht, zijn lang niet zeldzaam en gaan soms gepaard met verrassende beeldspraak. Slechts in den samenhang, bij het lezen komen zulke verkwikkingen tot hun volle recht. Dit moet men wel bedenken, wanneer we er eenige uit hun verband bchten en hier laten zien.

„Zijn minnedichten — de Gids noemt ze „gloeiend" en „ondeugend" — zijn zoo mak als gedresseerde lammetjes: ondeugend zijn ze alleen, in zoover ze niet deugen, en gloeiend, omdat de Gids er zijn vingers aan heeft gebrand. Suffe Heiniaantjes, zonder iets van Heine erin, trippelen zij, als onbeduidende juffertjes, over de hobbebge keisteenen der Vlaamsche rhythmiek".

„Maar die vloekzangen dan? Ik wil vlammende vloekzangen zien, zegt de lezer en schuift ongeduldig heen en weer op zijn stoel. Och arme, de koude declamaties, waarin de heer V. zijn pobtieke grieven uiteenzet, zijn noch gevloekt, noch gezongen, en vlammen doen zij alleen, wanneer men de kachel ermeê aanmaakt. Wie het niet gelooft, heeft slechts de drie bundeltjes te koopen, en wachte dan, tot het wat kouder is". (II. 57).

Over Huet:

„En steeds is hij de zich zeifin de macht hebbende superieure geest gebleven, die, schoon bij rechter is, toch mensch kan wezen, en, omdat hij mensch is, in abes gentleman meent te moeten zijn. Zijn bbksems zond hij uit met een hoofdknik en een gbmlach, en iedere dolksteek ging van een buiging vergezeld. Menig onzer brave letterhelden heeft hij met zulk een innemenden ruggestoot de deur uit en op straat gezet, dat de onnoozele bloed, aüeen gelaten, het met zich zelf oneens was, of de kriticus hem niet de grootst mogelijke eer ter wereld had bewezen". (L 124).

„Als de heer Bohl een stillen morgenstond beschrijven wil, zegt hij:

Sluiten