Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hij heeft lief de kleuren van hemel en aarde, de geuren en lijnen en geluiden onzer bosschen en heiden en overal waar hij ze vindt, en dat niet met de liefde des liefhebbers alleen. Hij laat het niet bij klankvol rangschikken van syllaben over het onderwerp, neen, hij wil het onderwerp zelve kennen en bestudeert het op de plaats en brengt het in zijn werk met nog iets van de oorspronkelijke friscbheid eraan. Dan weet hij ongewone woorden te vinden, te delven uit de diepere schachten onzer taak don weet hij tuiten te leggen en kleurengroepen te schikken, dan durft zijn stijl langs forsche wendingen te zwiepen om een effect te teekenen, dat de dichter gezien heeft met zijn oog, dan is hij plastisch artiest en werkt in een manier, waarin hij onder al zijn tijdgenooten misschien alleen, maar stelbg de allereerste staat. Dan waait bij vlaagjes de boschwind door zijn verzen, en de vogel vbegt er, en de hemel welft zich en de grond is gekleurd".

Ik heb nog eenige andere voorbeelden aangeteekend en geef er een paar van:

„De antieken waren reëel, de beste Engelschen waren reëel, alle goede artisten zijn reëel, en zeker is bet, dat ook de HoUandsche kunst der toekomst in hooge mate eene reabstiscbe zal wezen" (II, 67).

„Dit boek is een mooi boek, een bef boek, een machtig boek, een waar boek, dit blijkt voldoende uit al ket voorafgaande, maar — en dit heb ik den lezer niet laten zien — dit boek is van tijd tot tijd ook een onwelvoegelijk boek. Daar staan dingen in, waar men in gezelschap niet over spreekt" (II, 93: Yan Deyssel, Een Liefde).

De Tegenstelling wordt uit den aard der zaak zoo dikwijls gebezigd, ook door Kloos, dat we met een enkel sterk voorbeeld wülen volstaan. De tegenstelling, met samentrekking gepaard, zit hier in den laatsten volzin en veroorzaakt een bizondere puntigheid:

„Er loopen door iedere periode der letterkundige geschiedenis van die schimmige figuren, die schemerende individuabteiten, die men niet goed thuisbrengen kan. Zijn zij de voorloopers van de nieuwe, zijn zij de epigonen van de oude periode, die een enkelen wiekslag van den tijdgeest over kunne hoofden, een flauwe trilling van de jonge, ontluikende passies in kun stem kebben gekregen? Zeker is ket, dat zij weinig van den geest van de eerste, met eenige van hare uiterlijke trekken, veel van de gebreken der laatste, met weinig van hare voortreffelijkheid vertoonen" (I. 156).

Er komt bij Kloos nog een andere soort tegenstelling voor, eene die zich niet bepaalt tot de constructie van éénen zin, maar zich uitstrekt over een grootere ruimte. Wanneer hij iemand wil typeeren, doet hij

Sluiten