Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

attische zuilen-rij open en helder, of, met het half-licht en de mysteriën . pan een gothisch boog-gewelf, vat het iedere flikkering en tint van het menschelijk gemoed".

De attributen van de attische zuilen-rij en het gothisch booggewelf zijn hier onmiddellijk naast elkaar gesteld: x . . . y || y . . . x.

4. „De poëzie is geen zachtoogige maagd .... doch eene vrouw, fier en geweldig,.... die de hoogste vreugd in de diepste smart, doch tevens de diepste smart in den wellust van de pijn verkeert",

5. „en hij, wiens naam op andere wijze aan het hoofd dezer regelen had moeten prijken, werd weggenomen toen hij genoeg gedaan had voor de belofte, maar voor de vervulling werken ging. (Uit In Memoriam Jacques Perk).

6. Bilderdijk, bulderend, gillend, of grijnzend giebelend, maar nimmer zingend, scheen te meenen dat de poorten der onsterfelijkheid van elkaar zouden vliegen door de mokerslagen eener klinkende rheUnica, in stee van op 'l goudene geluid der gevoelde melodie zacht open te wuiven, als op een tooverspreuk". (1.159, over Pol de Mont).

7. „Neen, de lezer leze langzaam, zich ieder woord voorstellende, hoorende naar ieder geluid, ziende naar iedere kleur en beweging en lijn", (I. 176, over Frans Netscher).

8. „De schrijver toch toont, dat hij hier niet gewerkt heeft met waarnemingen, waarvoor hij woorden zocht, maar met woorden, waarachter hij vaag een waarneming vermoedde", (I. 200, Hofdijk).

9. „De oude keer Gids (het Woord is niet van mij) geeft komplimenten voor kritieken, en voor vonnissen hatelijkheden", (II, 29, Flanor).

10. „Rhetorici kunnen zeer intellectueel wezen, artistiek zijn rhetorici nooit", (II, 62, Mr. C. Vosmaer).

11. „En het is onbillijk, met hunne werken hun streven te willen doodslaan, of hunne theorie te bestrijden met tekortkomingen in hunne praktijk". (II, 70, Bram van Dam).

12. „Te beginnen met de vijf Idyllen is 't een gebrekkig gestamel, ongeloofelijk zoo geknoeid, waar oogen en ooren het hoofd bij .verliezen en waar het hoofd oogen en ooren gaarne zou kwijt wezen, om niet behoeven te hooren en te zien". (II, 130, Albert Verwey).

13. „Want de heer A. de Mare schrijft het eenvoudigste, zuiverste,

Sluiten