Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdstuk XIV— KLOOS NA 1894—NIEUWE VERZEN 189«fVERZEN II, 1902

ALGEMEENE KARAKTERISTIEK

VOORLOOPIG bleef Kloos de lyricus en hevig gepassioneerde die hij geweest was sinds 1880: aldoor heen en weer geslingerd op de zee zijner steeds bewegende aandoeningen, zijner wisselende stemmingen en driften. Diepe neerslachtigheid en hopeloos befdesverlangen, hooge of blijde beziebngen en folterende twijfel, worstebng om vaste zekerheid te midden van al het vergankelijke, strijd voor zelf-behoud onder de gruwelijkste beproeving, bekommering over de toekomst onzer verscheurde maatschappij, dit alles werkte en woelde in hem en vroeg om uiting in de gebondenheid van het vers.

Wanneer hij zegt wat verzen voor hem zijn, dan zien we daarin een kenschets van zijn eigen dichtwerk:

Verzen zijn de beweging van 't leven; Klaar-luidende, al naar het mensch-hart gaat, Of droevighjk schreiende zacht, óf kwaad Als een donderslag door des levens kalm beven 1).

Verscheidene gedichten zijn weergave van de spanning, ontstaan door de wisselwerking van twee krachten: hartstochtelijkheid en zelf' bedwang (Al zijn er momenten, wanneer hij rich laat gaan in droeve, weeke klacht). De taaie wil om zich staande te houden, wanneer verleidelijke schijn en begoocheling zijn gevoel trachten te overmeesteren of zijn redelijk, wilskrachtig Zelf dreigt weg te zinken in een over-

1) Verzen, II, 56. Gemakshalve worden hier en in het vervolg de verzen niet met een Romeinsch, maar met een Arabisch cijfer aangeduid.

Sluiten