Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O, snerpend jaar van wieden,

O, wild, woest jaar van zieden,

O, jaar van ellende, o jaar vol gevaar,

O, eindeloos, eindeloos, eindeloos jaar....

In dezen klagenden toon gaat dit groote gedicht verder om somber te eindigen in doodsverlangen. Men definieert deze poëzie averechts en in alle geval te grof als men ze romantische pose noemt1). Is Bredero's Nieuw droef Scheyüedeken dan ook „pose"? Of is het de natuurlijke, verhevigde en dichterlijke uiting eener doodsbedroefde stemming die werkelijkheid was?

Maar tegen zulk een droefheid is de ziel niet bestand op den duur en zij slaat om in haar tegendeel; zoo is er dan soms een voorbijgaande kinderlijke blijheid:

27

O nu ga ik op bcht-geschoeide voeten Als een jong godje door 't leven dansen Na dit doodsdroef jaar

28

O ik ben zoo vroobjk: mijn bchaam gaat Op 't rhythme van mijn zingen ....

Of een triomfante juichtoon klinkt, ter eere van de Liefde (38):

Liefde is de mackt, die mij stadig gesckraagd heeft

Ook wel vernemen we de rustige omschrijving van het hefdesbegrip (46):

O, de wonderen der Liefde zijn grandioos ....

Want befde is een heel sterk willen en keel fijn voelen,

Met het ontzettend-onzelfzuchtige bedoelen

Anderen gelukkig te maken eindeloos.

Daarom voelt befde ziek als zoo iets vreemds en grootsch, Als een deining zonder einde, die komt omspoelen, Met kaar warme zelf, 't Gebefde zonder verkoelen: Daarom duurt ware befde schijnbaar maar een poos.

1) Donkersloot: De Episode van de Vernieuwing.

Sluiten