Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aesthetiscben aanleg, zijne buitengewone geestelijke capaciteiten. De hoogleeraar was mij dankbaar en zond den jongeman naar een rustig oord op de Veluwe, waar hij weldra genas. Aan deze bijtijds herstelde maar zoo pijnlijke mistasting moet ik denken als ik de Infernale Im~ pressies lees, welke mij met diep medelijden vervullen voor den genialen man, die gedwongen werd te vertoeven in een gezelschap waar bij niet behoorde: — in een kring van — gekken!

Zeven gedichten zijn het, waarin hij met de scherpste observatie zijn indrukken heeft weergegeven. Daar men altijd met de zelfde verzen komt aandragen, een paar bekende uit den eersten bundel, veroorloof ik me van deze onbekende, lugubere maar prachtige verzen er een paar over te nemen.

De zes sonnetten worden vooraf gegaan door een inleidend bed in mineur (92):

Ik ben gestorven in 't late jaar: Ziet, hoe die traag-bewogen schaar

Daar aan komt tijgen .... De dorre blaadren op mijne baar

Nog aarzlend zijgen....

De winden zwijgen .... Ik ben gestorven; 't is laat in 't jaar.

Niemand zal hier beve versjes verwachten. Welaan dan:

95

De gek lag onbeweeglijk op zijn leger En 't was of daar een lijk in staatsie lag, Zóó wezenloos. Nauw sckeen de vale dag Door 't schuine raam daarboven op dat leger.

Soms slechts wat laken-ritseling als teeg er

Door 't lijf een jicht-scheut: 't was of hij niets zag:

Maar o! daar gleed op eens een breede lach

Langs 't bleek gelaat. Op rees kij van 't vreemd leger:

De houding van den gek was scheef en drukkend,

Den arm hield hij omhoog, de blik stond stijf:

De romp schoof heen en weer in dronken slingeren:

Dan plotseling het schurftig, schokkend lijf

Met gram en schuin-ziend oog voorover bukkend,

Grabbelde hij in 't bed daarnaast met greetge vingren.

Sluiten