Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

97

Zij lagen beide in bedden, de aêr naast de een, Die, op den arm geleend met weemlende oogen, Zag in de niet-bestaande vert'als togen Zijn levens-zonden dreigend langs hem been.

Terwijl daar de aêr wijd gaapte en met gebogen Hoofd bikte op 't kussen, wijl 't half-naakte been Rondtrapte in 't bed als dol. En fel steeds scheen De bbk der half-ter-neergeslagene oogen.

Zoo raasde en kromp bij keel den langen nacht, Terwijl het lijf in kronkelbochten schoof Onder de lakens grauw, die klapprend rondden.

Maar ik lag stil, zeer lang, aandachtig, doof Voor angst en noodloos medelij, en dacht: Is dit mijn bed een ligplaats voor gezonden?

98

Het was een zaal vol bedden: bggend wachtten Die armen allen, of niets kwam bevrijden Van 't in hen opgezweepte inwendig lijden Door 't medisch water, dat daar telkens brachten

De op menschenmartbng afgerichte wachten Den drogen kelen. Enkier oogen schreiden, In 't lijdzaam als een lam den dood verbeiden, Door lange dagen en de langer nachten.

's Nachts ging 't bleek regiment, dat niet kon slapen, Aan 't krimpen, wringen, star-zien, klagen, zuckten, Zooals de golven op de onstuimige zee doen.

Daar kletste zuster's hand mij om de slapen, Omdat ik lag en keek en niet wou meedoen, En 'k wendde me om, met stillen bbk.... Zij vluchtte.

Sluiten