Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vol-op de gouden maan daar rijst in stille statie, Een weeke, weifelende zon der nacht, zacht weidend Haar witte glanzen, schapenkudden, die als droomend Daar grazen, op al plekken, nü als pleinen, komend,.... Dan wordt dees aard, zich in die vreemde glorie breidend, Eén eindelooze, hoog-gebenedijde gratie ....

245, DECEMBER-STORM.

De winter heeft zijn rijk weer ingenomen: Zeetiend op grauwen damp-troon in de lucht, Doet hij zijn wateren geweldig stroomen, Terwijl zijn hollende adem wijd-uit zucht

Langs 't naakte vlak der velden, met een vlucht, Die door geen zachter wil zich in gaat toornen. En, strevend-stoer, de strak-gelijfde boomen Kronklend hun armen heffen naar 't geduchtVoort jagend zwerk

Weemoed en droeve gelatenheid klinkt ons tegen uit 187 en 188, NOVEMBER-AVONDEN.

Deze aarde gaat ter rust: zij slaat gelaten 't Wijd-witte kleed der misten om ziek heen En wentelt traag ter zijde haar gelaat en Moê bchaam van de zon af, die verdween,

Alsof ze in wolken nog te treuren sckeen

Om vroegre schoonheid.... en de doodsche straten

Liggen in lang-gerekten rouw verlaten,

Slechts door een schaarschen menschenstap betreên:

O ziek mijn ziel! wèl ziet ge in deze leegte, Waar soms een holle stap door, langs u, schrijdt, Het beeld van eigen eindlooze eenzaamheid!

Hoop nooit meer op die beve stem, die zweeg te Lang reeds en nu misschien als harpen khnkt Terwijl zij 't jubel-bed: „Vergeten!" zuigt....!

Sluiten