Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Adoratie-cyclus (104 Sonnetten en 10 Toezangen, van No. 116 tot No. 258).

De verandering in den poëtischen stijl.

Al is een hooge liefde even als in Verzen I het thema, het karakter van versckeidene onder deze gedickten is niet precies ketzelfde. Het grandioze in Kloos' natuur, zijn behoefte om de Gebefde, die onbereikbaar ver bleef, in adoratie te vereeren en te verheffen, hebben een stijl begunstigd welke zijn onmiskenbare grootheid maar tegebjk ook ket groteske en overladene keeft dat, als barok, meer in bouw- en schilderkunst behaagt en tot bewondering dwingt dan in de letterkunde. De beeldenrijkdom wordt eckter nooit, zooals dat bij enkelen onzer Renaissance-dichters wel het geval is, koude, gekunstelde praal, omdat er de droom door speelt, ket gevoel in gloeit, ket hartstochtebjk leven in stuwt, welke de gedachte aan nuchtere bedenksels ten eenenmale uitsluit. Kloos keeft in dezen tijd barok-acktig gevoeld en kij keeft dit van ziek zelf geweten. Zijn beelden haalde hij waar hij ze krijgen kon: uit de Griekscke oudheid, waar hij van Apollo spreekt, den God der Sckoonheid, of uit de Christelijke mytkologie of den Kathoheken eeredienst. Als hij, de agnosticus, spreekt van bebloemde tronen, waarop zich de Engelen neervbjen wanneer ze moe zijn van bun bemelsche reidansen en aflaten van het kleppen hunner wieken, om stil te luisteren naar de bederen der Liefste, die opstijgen naar de „basibeken des Hemels" (224); als hij gewaagt van de donkere karos van haar wilskracht die in trotsche zwiering opvaart ten hemel, waar het altaar straalt van de hoog-mis-viering des Levens, öf baar noodigt, in zegetocht, de snel-schietende, gloênde stralen der gouden zon voor haar koets te spannen, dan denken wij misschien aan de plafond-schilderingen van Tiepolo in het aartsbisscboppebjk paleis van Würzburg of aan andere barok-voorstelbngen, maar Kloos, die daarvan niets wist, zag dit alles in zijn droom als werkelijkheid.

Toch, al kwamen ze voort uit zijn Onbewustheid, hij begreep, dat men die beelden als een gewild sieraad of als het produkt van een overspannen fantasie zou beschouwen:

243

Wanneer ik zing, dat gij, als Cherub stralend, Zweeft op de trappen van het Hoogst Geheim, Dan klinkt dat als versiering van mijn rijm, En menscken denken, dat 'k in droomen dwalend

Sluiten