Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en dan het laatste sonnet der Toezangen, dus het eigenlijke slot van den geheelen cyclus Adoratie, nummer 258, waaruit de volgende regels:

Gelijk een vlam die, hoog in duistre lucht Opschietend, 't oog verbaast en kronklend-gloeiend, Zinnen en ziel een oogwenk streelt, en, stoeiend, Als dronken danst, tot, met een scherp gerucht,

Zij weer in 't duister, waar ze uit voortkwam, vlucht,

Zóo waart gij, donker raadsel, dat wreed-spelend, Uw eigen heerlijkheid bezwoert, om, kweelend, Yan mijne bppen opwaarts zich te slaan ....

Gij kunt nu blij zijn, want als godheid fonklen Moogt gij in deze zangen, die karbonklen, Zoolang de taal van Holland blijft bestaan.

Maatschappelijke Yerzen.

Heel merkwaardig zijn zeven sonnetten, oorspronkebjk getiteld Maatschappelijk Credo (No. 107 (CYII) tot 113 (CXIII) ). De dichter staat hier met beide beenen midden in het leven en ziet met heldere oogen, wat bet gevaar is voor de maatschappij van zijn tijd (1897).

Het merkwaardige is de vastheid van overtuiging, zich uitdrukkend in vastheid van klank en rhythme, waarmede hij, als voorzeggend, uitspreekt in ket laatst der negentiende eeuw, wat thans allengs bij velen als waarheid begint door te dringen: dat bevorderen van sociale rechtvaardigheid zonder nationaal zelfbewustzijn een onding is, evenzeer als nationaal zelfbewustzijn zonder sociale rechtvaardigheid. De individuabst Kloos, die van het nivelleerend en den klassestrijd-predikend sociabsme een hartgrondigen afkeer keeft, toont hier zijn diepe deernis met de toenmaals rechtlooze en verwaarloosde arbeiders. Ernstig waarschuwt hij de hooghartige, genotzieke heerschers en bezitters voor het uit Rusland naderend gevaar, dat zij zelve over hunne hoofden zullen oproepen, wanneer zij niet bijtijds de bakens verzetten en gaan inzien wat hun pbcht is tegenover het volk: nJ. te zorgen dat

Sluiten