Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar hij hem te veel denken doet aan zekere religieuze voorstellingen welke hem niet bevredigen, omdat de godsdiensten, de eene meer de andere minder het groote Onkenbare Mysterie toch altijd een soort van menschelijke geaardheid toeschrijven.

God was voor Kloos in 1893 de Willende Kracht die in een gestadig voortgaand proces zich in natuur en geschiedenis tot grootere volkomenheid ontwikkelt om ten slotte zijn eindelijke volmaking te bereiken in de Schoonheid: „Schoonheid is het Leven in zijn waarste beteekenis, waar het leven toe worden zal in de lengte der tijden, hoe langer boe meer waarachtiglijk" (Verl. Heden en Toek. blz. 245). Dit doet denken aan Hegel, maar nog meer aan de diepe, maar ook fantastische leer van Schelling. Ook bij dezen bereikt de „Weltseele" haar hoogtepunt in de Kunst: „zij is bet eenig ware en eeuwige orgaan der wijsbegeerte. Zij opent den wijsgeer het Heilige der Heüigen. Daar brandt, vereend in één vlam, wat in natuur en geschiedenis gescheiden is" *).

In dit monisme van Schelling en Kloos wordt het Heelal één organisme, dat van één vormend Beginsel uit, voortgaat zich trapsgewijs te ontwikkelen. Met dit vormend Beginsel, dit Absolute of die Onbewustheid, dien „God" heeft de kunstenaar in zijn beste, diepste oogenbbkken van ontroering contact. Dan vloeit in zijn dieper wezen iets uit de Godheid in hem over; hij is zich dit bij latere introspectie bewust; hij „ruikt" dan als het ware achter zijn Ikheid „nog een verdere Diepte, die bodemloos lijkt, want niet heelemaal te doorzien is, en die volstrekt niet meer zijn Ikheid schijnt te wezen, neen, die het alleraUer-binnenste van aüe dingen is, dat door vele groote wijsgeeren, Schopenhauer b.v. en Eduard von Hartmann, zeer terecht het Onbewuste is genoemd, maar dat tegelijkertijd voor zich zelf misschien het Bovenbewuste is" a).

Er rijzen misschien bezwaren tegen deze filosofie. Als het Onbewuste in den dichter, wanneer hij scheppend werkt, tot Bewustheid wordt, hoe moeten we ons bet Onbewuste dan voorstellen?

Lijkt het dan niet, of het menschelijke, dus bet mindere, in zijn bewustheid, het meerdere is van het Absolute? Toen ik Kloos die vraag voorlegde, antwoordde hij, terwijl hij de zaak van den grond ophaalde:

„De stof, de Materie, heeft voor en als zich zelf geen konstant, dus allerminst een absoluut Bestaan. Zij is samengesteld uit in stoffelijk

1) Casimir, Beknopte Gesch. der Wijsbegeerte, II, 66.

2) Kloos, N. Gids, April 1933.

Sluiten