Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedichten schrijven, dus die wij niet vooraf met ons willend bewust Verstand in elkaar hebben gezet.

Ontstaat er door mijn gedachten misverstand of een schijnbare tegenspraak, dan komt dat uitsluitend door mijn gebruiken van bet woord Onbewustheid, dat door de meeste menschen opgevat wordt als gebjk te staan met niet-wetendheid. Dit nu is echter in geenen deele het geval. Onbewustheid, zooals ik haar opvat, in samenstemming met Schopenhauer en Hartmann is eigenlijk Overbewustheid, die alles inhoudt en alles omsluit. En deze wereldessentie van alles is natuurlijk zeer goed te denken mèt Geest, Wil, Kracht enz." 1).

Zoo ziet Kloos de wereld als hij nadenkt en wordt zij hem iets minder onbegrijpelijk. Maar men meene daarom niet dat hij in alle momenten van zijn leven in een onwrikbre zelfverzekerdheid staat als een rots. Ook hij, als meer diep-voelende dichters, is soms meer te vergelijken met ket buigende riet en onderhevig aan de wisselende vlagen zijner aandoeningen, ook kij, als meer filosofen, is wel veranderd van meening en keeft wel voor een raadsel een ander raadsel gesteld.

La Verzen II heeft Kloos zich over de diepste levensvragen wel hier en daar uitgesproken, maar Verzen III, van 1913 is in dit opzicht belangrijker, vollediger.

Eerst dan Verzen II:

Twee thema's trekken hier de aandacht; een van zuiver affectieven aard, het ander ethisch en actief. Het eerste thema is het affect van onrust, en bevreemding over het raadsel van het menschenbestaan. Bij voorbeeld in sonnet 105: „O, aldoor waait de wind maar over de aarde, Daarbuiten ...." En hij vraagt: „Waarom? Waarom bestaat men heel kort om dan te sterven?"

No. 114: „Wat is dit leven toch? vraag ik u allen." Is het alles begoocheling? Niets weten we; abeen dat we sterven moeten. Komt er een vage vlaag van hoop, zij moet zwichten voor zelfbezinning en het eenig verblijdende in „dit heldre donker Van koud-goud geheimzinnig zonnebcht" is „het geflonker van een stralend dicht", diep in de borst van heel enkelen. Dan 259, Avond-storm, waar we de animistische gedachte aantreffen dat in den stormenden wind een angstige ziel rumoert, die in ontzetting een veihge rustplaats zoekt:

Angstige ziel, na des bchaams verscheiden, Rumoert daarbuiten wild-boldrend de wind,

1) Brief van 6 April 1933.

Sluiten