Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoekend, in ontzetting, naar alle zijden,

Of zij ook kier of daar een schuilplaats vindt....

Wie kelpt er? wie redt? Hoor, hoe heel den wijden Lucht-omtrek over, ziek uitbreidt gezwind 't Klagelijk geluid van kaar eindloos bjden, Dof-droef gehuil van een wild, hooploos kind ... !

In 260 (Levens-stemmingen I) de gedackte: Wij zijn raadselen zwevend tusscken raadselen, en wat zal het eind zijn?

No. 184 is getiteld Christus. Wat Kloos hier in Christus ziet, het is de lijdende Godmensen, die als een smeekling hangt over deze wereld:

O, hoofd van Christus, dat daar neergebogen Over dees wereld, als een smeek'bng hangt, Wijl 't eeuw'ge weten onzer smarten bangt Gelaten in Uw eindloos-droeve oogen!

Toch, bij dit diepe besef van de levenstragiek en bij al de onrust en onbevredigdheid van zijn gemoed, blijft weeke passiviteit ver van hem. Er is in Kloos een bewust-strevende zedelijke levenswil om ziek, zoolang het aardsche tooneelspel duurt, stoer staande te houden, trouw te blijven aan zich zelf en zoo goed mogelijk te zijn voor anderen.

Daar zijn b.v. No. 217 en No. 218: Twee Philosophieën. Is het leven dan niets anders dan een begoocheling en de dood een vernietiging? vraagt hij, en is geneigd bevestigend te antwoorden. Maar wat zou bet! Men kan tock „trouw volharden, groot-sterk strijden om, boordevol inwendig loutringsvuur, te gaan door het leven met stillen, gestaadgen voetstap, opwaarts naar het hoog-glanzend Godsrijk".

212 en 213 getiteld Levens-regelen:

212

Gestadigheid in 't goede is als een bloem, Die nooit ontbladert, schoon de stormen razen.

Levenswijsheid (247 en 248) met de zelfde les.

Er is slechts één sonnet waar Kloos over God spreekt, n.1. 106. Het is minder belangrijk om den aanloop, de algemeen aanvaarde ontkenning van een naïef-anthropomorfe godsvoorstelling, dan om de mooie terzinen, waar het Kloos eigenlijk om te doen was; bet begint zoo:

Sluiten