Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

God is geen Koning, op een troon aan 't pralen, Met rond hem, englenstoeten, wijd-nit zwierend,

en vervolgt dan met de terzinen:

God is in eenvoud van spontane woorden,

In zelfgenoegzame muziek-accoorden,

In 't hart, dat in zich zelf zijn glorie vindt,

God is in zonneschijn en mededoogen,

In klare' azuurglans van onwetende oogen,

In 't luid-uitlachen van het schuldloos kind.

Ik keb het hierboven reeds gezegd dat men bij Kloos niet moet zoeken naar absolute, voorgoed afgesloten dogmatische stelhgheid. Er is verandering, ook twijfel, die twee mogelijkheden ziet en aarzelt om te kiezen. Het zekerst is hij — en dit is te begrijpen — in zijn ethiek, maar aan God, Dood en Onsterfelijkheid elk voor zich verbindt hij niet altijd dezelfde voorstelbngen, wat ook te begrijpen is, omdat zij, ook voor den grootsten wijsgeer, mysteriën zijn, ten aanzien van welke men het hoogstens tot waarschijnlijke hypothesen brengen kan.

Kloos' godsdienstig-filosofische ontwikkeling sinds 1902 ( Verzen II) loeren we kennen, behalve uit zijn Kronieken, gebundeld in Letterkundige Inzichten en Vergezichten, uit het 3de deel Verzen van 1913, uit twee grootere gedichten van 1922: Dieper Levensinkijk en Mystisch Pantheïsme, en vooral uit zijn Binnengedachten (verschenen sinds 1924).

Sluiten