Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdstuk XV — VERZEN III, 1913

OOK in dezen bundel is Kloos de dichter van de Liefde; evenwel, er is een groot aantal verzen, waarin hij zich voor het eerst meer volledig uitspreekt als wijsgeerig geloovige, en verder is de befde hier anders gestemd dan in de vorige boeken van zijn „Sturm-und-Drang"-periode. In 1900 toch heeft de talentvolle schrijfster Jeanne Reyneke van Stuwe haar lot met het zijne verbonden; men moet dit zoo letterbjk mogelijk opvatten: zij werd zijn hefhebbende, trouwe levensgezellin, ze heeft sindsdien zijn wezen beheerscht en de zonnen, die vroeger voor hem waren opgegaan, geheel verdoofd. Bussum werd toen als woonplaats verwisseld voor 'a-Gravenhage. Men kan over de huwelijksbefde van dit menschenpaar slechts spreken met den grootsten eerbied. Ieder die Jeanne en Willem Kloos van nabij kent, weet dat in hun leven van dag tot dag zich de echtelijke befde verwerkelijkt in haar edelsten en volmaaktsten vorm.

In dit boek vinden we dus het geluk van de Liefde. Hier is vervuld eindelijk, wat hij in Verzen II (244) wenschte:

O! mochten de lateren Vroobjk in heldere jubeling schateren!

Geen dichter in de Nederlandsche taal heeft, na Hooft, met natuurlijk-voornamer gebaar, in zoo groote afwissebng van plechtige of gracieuze rhythmen, zóó rijke schatten van teederheid voor de aangebedene uitgestrooid als Kloos. Behalve uit een lang leven van toewijding kan men uit dit boek leeren wat hoofsche en oprechte befde is. Maar terwille van het verband met het vorige hoofdstuk willen we eerst iets zeggen van de wijsgeerige verzen.

Sluiten