Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

La het eerste sonnet is een sterk persoonlijk accent. Al zegt kij het niet met precieze woorden, Kloos voelt ziek van Christus in zekeren zin een lotgenoot en ook de andere menschen ziet hij als zoodanig, want

Elk mensch moet, andre Christus, door de jaren

Zóóveel ellende en killen smaad ervaren,

Dat Hemelpoort kern hjkt de muil des Doods o, vaak ....

Maar dit is het niet, waarom wij met Hem mede lijden; maar, omdat Hij de arme is, die „door Zijn ideaal-zijn werd bedrogen".

II. Het is een dringende kreet tot Christus, om nog eens terug te komen en dan rijper woorden te spreken „dan 't vaag-sckoon droomen van [Zijn] wetboek was".

O, Christus, Christus! word nog ééns geboren, En laat ons nogmaals Uw gedachten hooren!

III. Eén bcht al bcht Daar trad Hij hoog-sterk aan,

De bleeke man met vreemd-doorschijnende oogen

Hij wijst op hoog-vlammende brandstapels, op galgen en raderen:

Hij wees er op, en sprak: Mijn oogen drogen Nooit ofte nimmer om wat 'k heb gedaan.

Ik streefde naar het hoogste en zag der menschen geest zoo boog-schoon prijken, maar wist niet dat het mijn eigen ziel was en daarom vraag ik: laat enklen tot mij komen, heel enklen, die als ik droomen kunnen.

IV. En dan zegt Christus wat die enkelen van goeden wille kunnen doen:

Het eenge wat wij kunnen op dees aarde, Wij, die kier dragen hoog der Goedheid vaan, Is stil te zijn en zwijgend-sterk te staan, Ons-zelf ontwikklend tot de hoogst-geaarden ....

Alles gaat heen weer, maar het echte-in-waarde Laat iets toch na, en zal dus langzaam-aan, Door tientalle'eeuwen heen, versterken gaan, Hoe langs zoo meer, tot eindlijk alles schaarde Willem Kloos. 15 / 997 1

Sluiten