Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zich als een trouwe kudde om Mij, den Geest, Die 't goede wilde, al ben 'k een kind geweest. Door vecktend dwingen komt ket Goede verder Geen duimbreed gronds: uitsluitend door geduld En sterk-zackt willen wordt op 't laatst vervuld Het Wijze, wat U zegt de Goede Herder.

God en Geest (5 sonnetten).

I. God, ket Eenige wat is, daar kuilt ons kart naar van binnen, altijd door, in een voortdurend hopen op vereeniging, omdat Hij zich eeuwig verschuilt achter des Levens diepten. Het is laakbaar, om aan dit Volstrekte in gebed iets te vragen als een pruilend kind, want wat zijn menschen!

Na een kort bestaan komt ket einde, waar ten slotte ieder naar kaakt. Maar God is ket ware Zijn en men kan even goed zeggen dat God wel als dat Hij niet is (Kloos bedoelt dat God uitgaat boven de menscbebjke relaties van tijd en ruimte). Wij menschen zijn slechts schilfers van een schijn. II. Christus heeft de menschheid geleerd, van haar Ikheid af te zien, te baten wat men befheeft, „want wat gij hier ziet, dat is het verkeerde, Het ware Leven komt eerst na ket graf".

Kloos daarentegen meent dat de mensch later de eeuwige rust ingaat, waar geen pijn is en geen vreugde, en de ziel samenvloeit met het eindelooze Alleven. En deze gedackte is, meent hij, niet troosteloos, niet wreeder dan het gebod van Christus.

III. „Al stof is schijn: de Geest is 't eenig ware".

Hier weer de gedachte dat God in de menschenziel tot bewustheid komt, en wij, n.1. onze geesten, slechts losse druppelen zijn van den Algeest, en een deel van Gods Geweten.

IV. Daarom hebben wij het kwaad te bestrijden. Kloos zegt het in deze verzen:

Doch dit is zeker, dat gij niet moogt haten, Niet lasteren, verwarrend kwaad met goed, En niet ziend naar uw eigen fout, verwaten, Gebjk ik weet, dat gij zoo dikwijls doet.

God werpt ket uit wat Hij u kwaads hoort praten, Hij wil er niets van hebben, kort-en-goed, En dat's de zin der sage, die de staten Der Hel schiep en hun martelenden gloed.

Sluiten