Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V. Het laatste van deze reeks behelst de vrome bekentenis dat bij den goeden Geest dankbaar is, want deze heeft hém, die zijn leven wijdt aan het dóór-denken, alles voorgezegd, en dóór hém geschreven

Zoo vele verzen van 't inwendig leven,

't Zij er het voelen en verbeelden blonk,

't Zij er de peinzende gedachte zonk

Heel rustig neer op 't blad, waar ze is gebleven.

De Ware God (5 Sonnetten).

I. Geen mensch-bakterie kan God verstaan en God kan dus niet worden aangebeden. Wat de mensch aanbidt, is slechts een beeld van eigen maaksel, „Een afgodsbeeld van vreemden aard, Dat half-semietisch mij, half-Indisch leek". II. Kloos noemt zijn God terecht een Noodlotsgod, want het universum is hem de openbaring van één oneindig goddelijk leven, één groot, werkend organisme, waarin alles, natuur en geest, samenhangt en ook pijn en smart als iets natuurlijks voorondersteld zijn. Daarom past het niet, kleinlijk te jammeren over de slagen van het lot: Zie, 'k weet: Gij zijt, en slaan moet Ge altijd door Op ziel en lijf der levende enkel-lingen, Want in Uw Hoogheid geeft Gij geen gehoor Aan duf gesmeek van flauwe nietelingen, Dat altijd doelt op klein persoonlijk goed, Terwijl Gij slechts het Groote schouwt en doet.

III. Het is dwaas te meenen, dat God op den mensch gelijkt. God is de Al-Geest, die worstelt en lijdt voor een ver doel aan ket koopvol eind der tijden, wanneer elk enkel-ding bezwijkt en alles weer één is. Dwaas is het ook voor den Al-Geest bang te zijn,

Want beeft men voor zich-zelf? En leeft diep in Ons diepste Wezen niet God's diepe zin?

IV. Laat echter niemand beweren dat Kloos hiermede God smaadt. Want hij voelt bewonderend meelij voor Hém, die onnoemelijk en altijd door leed,

Sinds God wou zijn de God, Die zelf zich weet,

Sluiten