Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdstuk XVI — DE KRITIEK EN HET PROZA NA 1894

UIT de beschouwing welke ik hierboven heb gegeven van Veertien Jaar Literatuur-Geschiedenis, mag gebleken zijn dat Kloos de kriticus was, waar ons volk op wacktte; de man met het fijne divinatie-vermogen, dien Busken Huet onder de Gids-redakteuren van ± 1880 te vergeefs heeft gezocht en die de schrijver der Litterarische Fantasiën en Kritieken, met al zijn schitterende gaven, ook zelf slechts ten deele is geweest. Want Huet „rook" niet, voelde en raadde niet wat bbjvend zou sijn in de literatuur-van-den-dag en kon smakeloosheden of flauwiteiten vereeren met het predicaat „bevalbg" of „frisch", „keurig", en „echte poëzie in bare soort" 1).

Kloos bezat dit vermogen in hoogen graad en dit is een geluk geworden voor onze letteren. Ook zagen we dat dit precies aanvoelen van het schoone hem bracht tot ideeën over het schoone en dat hij hierin een maatstaf verwierf ter beoordeebng van al wat zich als bteratuur wilde aanbieden. De Nieuwe Gids had gezegevierd, de tijd ging voort en nieuwe schrijvers, onder wie voortreffelijke en andere van minder of geen beteekenis, verschenen op hunne beurt. Met de grootste nauwlettendheid bleef Kloos zijn taak als gids vervullen. Hij mocht met alle gebieden van het leven niet even zeer vertrouwd zijn, dit deed er minder toe, want hij bezat het ééne noodige: een onfeilbaren, zuiveren smaak, welke zich nooit vertroebelen bet door de misleidende bijgedachte van het persoonlijk parti-pris. Men kan zich kritici denken (Potgieter was er zoo een), die gehoor geven aan een maatschappelijke roeping en kaast nog meer leermeester en vermaner

1) Zie Veertien J. L. G., II.

Sluiten