Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

willen zijn dan ontwikkelaar van ket schoonheidsbesef. Kloos, al heeft ook hij zijn standpunt ten opzichte van de maatschappelijke kwestie, de politiek en den godsdienst, is in de eerste plaats aesthetieus.

We zouden wel kunnen zeggen: als zijn aesthetische zin bevredigd wordt, dan is het hem wel. — Het aesthetische nu was voor hem onbestaanbaar zonder leven en waarheid. Leven, waarheid, natuurlijkheid, zij vormden de drie-eenheid welke Kloos verlangde in wat zich als kunstwerk waagde voor te doen. Zonder deze kon van aesthetische voldoening geen sprake zijn. Wat hij verwierp was dus de dichterlijke taal, de woordkunstenarij zonder een psychischen inhoud, maar ook de nuchtere praat zonder de psychische ontroering van den kunstenaar, m.a.w. zonder dat soort leven, waarop het aankomt voor de kunst.

Men denke niet, dat de kern-ideeën die kern ten toets strekten, n.1. die van de eenheid van vorm en inhoud en die andere van de autonomie der kunst (misleidenderwijze vervat in de leus 1'art pour 1'art), onmiddeUijk na het verschijnen der eerste Nieuwe-Gids-j aargangen en van Veertien Jaar Lit. Geschiedenis, onvervreemdbaar gemeengoed en richtsnoer werden van aUe beste krachten in onze letterkunde, om van de epigoontjes maar te zwijgen. Men wane evenmin dat onze letteren, na de heilzame revolutie van Tachtig, nu voorgoed veibg zouden zijn geweest voor het groote gevaar dat altijd op de loer bgt en de schoonheid naar het leven staat: het doorgaan met schrijven, dichten, ook bij afwezigheid of inzinking van de inspiratie. Dikwijls gaat hiermee gepaard een onartistieke zuckt tot tendens, waarbij het doel de middelen heibgen moet. Tendens, als zedebjke of inteUectueele stuwkracht keeft aUeen waarde, wanneer zij zóó doorvoeld is, dat zij als min of meer spontaan produkt van de Onbewustheid haast geen ^ tendens meer genoemd kan worden. Het opzettelijk, gevoeUoos te pas jagen van meeningen waarmeê men gelijk wil hebben, waarbij dan niet zelden de waarheid ten behoeve van een of ander doel wordt verdraaid, kan in de bteratuur nooit het aanzien schenken aan iets dat aesthetisch bevredigt m.a.w. aandoet als levend en natuurlijk en schoon. De personen worden dan automaten, de toestanden gewrongen bedenksels en het geheel een verzameling van hoUe vormen waar niets van overblijft.

Het levendig besef van deze waarheid heeft Kloos bij zijn beoordeelen nooit verlaten.

Wanneer we afzien van den vorm (we zuUen er later nog over spreken), die minder speelschheid van opflitsende verbeelding te zien geeft en, bij minder snel voortgaande bondigheid méér uitgesponnen fijnheid

Sluiten