Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te vragen of een schrijver goed had gedaan wat hij bedoeld had te doen, en niet, of hij iets gedaan of gelaten had, dat hij, de kriticus, graag had gewild dat hij deed.

Er zijn genoeg kritici die tot zulk een onhevangenheid niet in staat zijn. De poëzie van Boutens bijvoorbeeld lijdt volgens sommigen aan tekortkomingen en heeft zelfs bij de dichters der jongste generatie een reactie gewekt. De ouderen, Verwey en Van Eyck, oordeelden dat er te weinig van uitging wat men levenswarmte zou kunnen noemen, omdat ze niet uit „het hart" ontsproot en geen contact had met de maatschappij, terwijl er evenmin een idee in belichaamd werd.

De dichters van Het Getij en de Vrije Bladen hadden dergelijke bezwaren. Nu staat het toch wel vast, dat een dichter allerminst zijn eigen aard geweld mag aandoen. Het individualisme van de Tachtigers had het bij het rechte eind: een vlinder moet niet probeeren, het werk te doen van een zandkever, een schildpad moet niet willen vliegen; doen ze het toch, dan worden ze belachelijk.Daarom dacht Kloos er niet over, Boutens iets voor te schrijven of kwalijk te duiden, maar nam hem zooals hij was: „Boutens", schreef Kloos in zijn bespreking van het gedicht „Nachtwind" uit „Zomer-Wolken", „is een dichter, die in zijn diepste wezen voelt, dat zijn eigenlijke, zijn binnenste, zijn b u i t e n-d e-m e n s c h e n-o m levende geest één is met de Natuur, want een deel van deze. Dat diepste van den Waren Dichter, waaruit alleen zijn kunst komt, keeft niets te maken met de maatschappij, met baar instellingen en gebruiken, zoomin als de Universeele ackter alles schuilende Geest die het Heelal omvat en doordringt, en van welke des Dichters geest een uitvloeisel is, in eenig, ook maar het minste verband, met al die bedenksels der mensckebjke, zoogenaamde wijsheid staat" 1). Zoo vatte Kloos zijn taak op van niet-betweterig kriticus, die waardeeren kon.

Ik sla een aflevering van De Nieuwe Gids op en citeer uit „Nog eens Shelley in Nederland" (N. G. 1922):

„Neen, het mag er voor den echten kriticus volstrekt niets toe doen, of hij het met de gedachten van den door hem besproken dichter eens kan zijn, al was het alleen maar hierom, dat, indien hij die maatstaf op logisch-konsekwente wijze aanleggen gaat, de kring van zijn mooivinden want diep-in-meévoelen, natuurlijkerwijze allerengst en dus onbeduidend worden zou.

Ik zelf heb daar dan ook altijd voor opgepast en kan dus als kriticus,

1) Letterk. Inz. en Vergez. XV,

Sluiten