Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die steeds leefde in 't diepere, even goed met Aischulos over Zeus, als met Angelus Silezius over Jezus, zoowel met Luther over God, als met Shelley's vermoeden over 't Oneindige en niet minder met Lucretius dan met Novalis volkomen en diep-in meevoelen, overal waar die groote Schrijvers ket kebben, elk op zijn eigen wijze, over ket Mysterie van het Eindelooze Zijn. Terwijl ik ket toch met de metaphysische opvattingen van geen van die allen volkomen eens kan zijn. — Mijn altijd intensief en toch rustig werkende psychische Innerlijkheid gaat geheel op, zoolang mijn lezen duurt, in de Psycke van den schrijver, dien ik vóór mij liggen heb, en daar ik-zelf volkomen-echt, dus zonder eenigerlei malle illusie over mijzelven ben, en buitendien een lang, rijk leven van meêvoelenservaring en diep-in geestehjk werken ackter mij heb, kan ik altijd met mathematische, met nooit door de waarheid weersproken zekerheid uitmaken en dan verklaren, of een letterkundig werk van anderen innerlijke echtheid heeft dan wel niet". -

Klinkt ket te boud gesproken? Maar men bedenke wat Goetbe heeft gezegd: „Nur die Lumpen sind bescheiden, Brave freuen sich der That".

En Kloos sprak de waarheid!

Van het socialisme moest Kloos niets hebben, maar hoe beeft hij Adama van Schdtema en Henriëtte Roland Holst geprezen om hun goede werk *), terwijl kij Herman Gorter meer dan eens vreesebjk onder kanden keeft genomen om te kort aan poëzie. Met Van Eeden keeft hij na 1893 gebroken; in een paroxysme van woede beeft hij hem zelfs eenmaal aangevallen zooals nog niemand aangevaUen werd *), maar kort daarna, toen kij als kriticus zijn oordeel zeggen moest, keeft kij over kern gesproken op een wijze, die alle kleine rancune bleek uit te sluiten, kondigde hij Van Eeden's nieuwe boek Het Lied van Schijn en Wezen (1895), aan als „een verheugende gebeurtenis voor de Nederlandscke letteren", noemde diens Enkele Verzen (1898) „een der sckoonste boeken, die ket achttienjarig tijdvak onzer nieuwe letteren ons tot dusverre gaf" („Als stille, witte bloemen, die, onzichtbaar ademend, hun heibg leven vieren, bggen deze verzen en leven voor altoos") en prees hij het verhaal „Van de koele Meren des Doods" (1900) als „een wonder van fijn-te proevene Hobandscke kunst", terwijl ket afgekeurd werd door de toenmabge pers.

Tegenover het Kathobcisme stond hij even onbevangen.

1) Zie Nieuwere Lit. G. HL

2) Gedachten en Aphorismen over Frederik van Eeden, N. Gids, 1894.

Sluiten