Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den dogmatisch-subjectieven Katholiek M. A. P. C. Poelhekke, den schrijver van een bundel essays: Modernen, 1898, heeft hij naar behooren op zijn plaats gezet 1), daar hij „in stede van voort te schrijden en zelf te denken en zelf te voelen, strak-stijf hangen bbjft in het kerkelijk-gekleurde en thans al meer verwaaiende web van verouderde inzichten, om van daar-uit het denkend en voelend gedeelte van mijn ziels-zijn quasi-uit-de-hoogte met zijn wijsheid te beoordeelen, en zooals door zijn antecedenten van zelf spreekt, te ver oor deelen ook. Hij verwijt mij, dat ik zoek, dat ik denk, dat ik worstel door de stil-werkende energie mijner rust-looze ziels-kracht, dat mijn geest, van sijn vroegste jeugd aan, niet afgeschrikt door tijdelijke dwabng of moedeloozen terugval, door strijd en zwoeging hunkert naar de hoogte, waar het volle bcht, rijzend, sterk op baar toestroomt als een glorie der zon".

Maar, toen bij Jules de Meester te Rousselaere de zes deelen verschenen waren van den hier nog weinig bekenden kathobek Guido Gezelle, boe beeft hij dit „onsterflijk gewrocht van den Nederlandschen geest" toen begroet2), omdat hij in Gezelle zag „den Christen als onmiddeUijk-van-Christus-uit en den diep-in echten, genialen dichter!"

Zijn vrienden spaarde hij niet als zijn overtuiging hem tot spreken drong. Toen zijn fijne, -filosofische vriend Dr. Charles van Deventer in 1903 twee lezenswaardige bundels kritieken had uitgegeven: „Hollandsche Bellettrie van den Dag" en bij hier en daar te veel zijn persoonlijke voorkeur, zijn persoonlijk temperament en standpunt bad laten blijken, zich dus niet voldoende had verplaatst in de stof die hij beoordeelen wilde, beeft Kloos dezen neef van Huet weerlegd met een betoog dat van het hoogste belang is, ook om de juiste opmerkingen over bet lage peil der Nederlandsche literaire kritiek in ket algemeen (het stuk is geschreven in 1904) welke niet verder komt dan tot „stijf-strakke sckeef-praat of weinig-nadenkende journalistiek" van onbevoegden.

Het groot percentage van ondeskundigen die mee durfden spreken over literatuur, een noodlottig uitvloeisel van de vrijheid der Romantiek, dit was het waaraan Kloos zich terecht bleef ergeren. Zeker is er ook iets waars in een andere verklaring die'hij van het betreurenswaardig verschijnsel heeft gegeven. Althans, de overheid van Amsterdam heeft onlangs door de msteUing van een privaat-docentschap iets

1) De Heeren Poelhekke en Borel al* critici: Nieuwere Lit. Gesch., III.

2) Nieuwere Lit. G. 1906, IV, blz. 18—19.

Sluiten