Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hoe verblijdend, dacht ik, maar ook hoe jammer, dat de beer Verwey niet alles *66 doorvoeld heeft, dat hij niet gedaan heeft als in vroeger jaren, toen hij de mooie gedichten maakte, die voor dien tijd

als zijn hoogtepunt glansden Want de heer V. kon even goed

weten als de hteraire proever, die dit schrijft, dat uiterlijke handigheid met klinkende rijmen en kadans van maten, op zich zelf genomen, dikwijls nog heelemaal geen dichtkunst is".

Kloos verwijt dan V., „dat hij bij zijn dichten te veel aan zijn kleine dagelijksche Ik denkt, zijn beslommeringen en willetjes en neiginkjes, waardoor de hooge, zuivere poëtische uiting onmogelijk wordt. En hij noemt het jammer dat hij b.v. niet iemand naast zich heeft staan, die hem kennend in zijn psychische eigenaardigheid, hem telkens weer op zijn beter Ik wijst, en, hem zacht-sterk leidend met gemoedelijken dwang, hem stuwt naar de geheime gewelven in zijn binnenst, waar de schoonheid, die hem bjden mag, nog altijd in stille gelatenheid wacht, dat haar kind, terugkeerend van zijn nuchtere dwaalwegen, weer groeit tot den mooien en klaren ziener, die hij van nature bestemd was om te zijn" *).

Er is — ik het het reeds gissen — een legende verspreid en ze is door velen als waarheid aangenomen, nJ. dat Kloos na 1894 zou zijn achteruitgehold, zoowel in het proza als in de lyriek. Wie het allemaal zijn die haar hebben nagepraat, doet er minder toe, maar het waren Verwey en Van Eeden die haar in de wereld hebben gebracht. In zijn bekende stuk Over Woordkunst (XXe eeuw, 1902) verklaarde Van Eeden Kloos' latere poëzie voor beneden pari en ook de Kritieken werden afgetakeld. Was Perk ten ondergegaan door bchaamszwakte, Kloos' loopbaan, zoo heette het, was vernietigd door „zwakheid van karakter". Verwey stuurde zijn discipelen er op uit om Kloos af te breken. Een hunner was Alexander Gutteling, die in twee artikelen: De Veertien Jaar Literatuurgeschiedenis van Willem Kloos, (Beweging, Juni, 1907) en Willem Kloos en de laatste veertien jaar Literatuur-Geschiedenis; Nieuwere Literatuur-Geschiedenis, III en IV, (Weekblad de Amsterdammer, Juni 1907) een samenvattende karakteristiek trachtte te geven van den Kloos tusschen 1880 en 1907, waarin de Kloos vóór 1894 zeer werd geprezen, die van na 1894 werd afgekraakt2).

De aanvaüers hadden een beter werk kunnen doen, n.1. het voortreffebjke aantoonen, ook in de latere productie; maar daarvoor was,

1) N. L. G. III. Albert Verwey's De Nieuwe Tuin.

2) Ook Querido behoorde tot hen; in Over Literatuur, Haarlem 1904, spreekt hij van „zelfaanbiddend walgelijk individualisme".

Sluiten