Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat er onmogelijk een ckronologiscke grenslijn valt te trekken, waar» door ket goede van ket minder goede zou te scheiden zijn, ket levende en krachtige van werk dat men mat en zwak zou moeten noemen. Het treffend uitstekende en ket minder uitstekende deed ziek van den beginne af voor in ongeregelde afwisseling. He zal beginnen met het requisitoir van Gutteling na te gaan, dat een reeks van aanklackten bevat welke stuk voor stuk te weerleggen zijn. Dat Gutteling niet meer leeft en zich dus niet verdedigen kan, mag mij niet weerkouden, omdat zijn meening werd en nog wordt gedeeld. Intusschen verkeze men hier niet uit het oog dat het hier in 't bizonder gaat over den Kloos van 1894 tot 1907.

I. In zijn tweede artikel beweert hij, in de Beweging te hebben aangetoond, dat Kloos zijn tijd niet meer volkomen begreep: „Tegenover de bijna algemeene geestes-openstelhng voor wijsgeerige en maatschappelijke invloeden belijnde hij zijn individuabsme zoo scherp mogelijk".

Voor wie mijn biographie van den beginne af heeft gelezen springt de onhoudbaarheid van Guttebng's bewering onmiddeUijk in ket oog.

Een scherp belijnd individuabsme kan men inderdaad aan Kloos niet ontzeggen; gelukkig niet! Hij is een oorspronkebjk karakter dat zichzelf gebjk bbjft, niet draait en schippert, niet bij gebrek aan in-wendig houvast, steeds weifelt en wisselt, maar langs een rechte bjn, naar hooge en vaste beginselen, zijn kunst zoowel als zijn leven keeft gericht.

Individuabstisch mag hij ook keeten, in zoover hij de lyricus was van zijn eigen gemoedservaringen, maar deze betreffen niet altijd het eigen Ik, maar even goed de werkelijkheidswereld buiten hem en het AUerhoogste, Bovenaardsche, waarvan die wereld eene der openbaringen is. Dus voor maatschappelijke en wijsgeerige invloeden stond hij evenzeer open als wie ook. Ik behoef slechts te verwijzen naar de 7 Sonnetten getiteld Maatschappelijk credo in Verzen II, in welken bundel ook de voor Kloos van den aanvang af typeerende wijsheidsbegeerte zich begint te vertoonen in eenige gedichten, welke in Verzen III met een aanmerkebjk getal worden aangevuld. Vooral deze laatste verzen toonen ons, wij zagen ket reeds, koe de vraag naar het wezen der dingen Kloos voortdurend en meer en meer heeft bezig gehouden, en hij niet rustte vóór hij zijn twijfelingen ten minste gedeeltelijk had overwonnen door een zelf-veroverde leer, die hem een zekere mate van geestelijke rust en bevrediging kon sckenken. ' Bedoelt Gutteling dat Kloos niet ontvankelijk was voor ket sociabsme en het fÜosofiseh postulaat van Marx, dan heeft hij natuurbjk geUjk, maar wie zal Kloos kwabjk nemen dat bij hiertegenover een

Sluiten