Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dood, een waardeloos teeken, een verzameling van letters zonder eigenlijken zin. En evenzoo in 't betoogende, in 't kritische schrijfwerk, heeft iedere opinie, die niet is een deel van een breed-uitgewerkt en fijn-doorwerkt gedachtenleven, geen hoogere waarde dan een los praatje in 't bitteruur, zooals er telken dag zoo véle de lucht ingaan; want slechts hij mag werkelijk kriticus keeten, die breed en diep voelend heeft gedacht. En al wat daarbuiten valt, buiten het diep-doorvoeld produceeren, buiten het voelend-doordacht beoordeelen is slechts ietwat vermakelijke, op den duur onbeteekenende journabstiek. Ja, wie er ziek toe zetten gaat, om letterkundig te werken, hetzij hij kunst gaat produceeren, hetzij hij over kunst gaat oordeelen, die moet werkelijk iets te zeggen hebben, die moet waarachtiglijk iets hebben doordacht of hebben doorvoeld."

„Maar, o, die zucht tot schrijven in deze laatste jaren der negentiende eeuw". En dan beeft Kloos het over tal van jongelieden tusschen de 20 en 30 die vellen papiers brutaalweg volschrijven met „gebrekkelijk gerijm of verwarde redeneeringen, waar soms zelfs slot noch zin aan is, en dan beleuteren ze een uitgever en zenden hun gekrabbel de wereld in, als de nieuwste bteratuur van het jongere geslacht. Met zeer weinig talent en een heeleboel inbeelding, met nagenoeg geen kennis en een zwakkelijke denkkrackt, gaan ze luid-schreeuwend op hun achterste pootjes staan tegen alles wat stil-waar, diep en echt is, en begrijpen niet, dat de waarachtige geniabteit niet bestaat in het doen van vreemde dingen en het hooguit beweren op een positieven toon, maar alleen in het zoo gevoebg en verstandig zich uiten,

als nog geen ander vóór u het heeft gedaan

Neen — men kan het niet genoeg herhalen — poëzie is niet een spel van woorden, die wat rhythmisch op en neder gaan, — poëzie zit in 's dichters ziel en in 's dichters ziel daar zitten geen klanken — de dichter is geen musicus — maar allereerst dingen; en rhythmen en rijmen mogen slechts dienen om die dingen te geven den meest treffenden vorm, het meest suggestieve en uitdrukkingsvolste, ket de poëzie dier dingen ons naderbrengende en kaar bestendigende schoone gewaad.

En daarom ben ik zoo aangenaam getroffen door Benjamins Vertellingen van W. L. Penning Jr. (vroeger M. Coens). De dingen, die hij zegt, niet de uiterlijke klankbeweging, maken dit boek tot wat het inderdaad is: zuiver-gevoelde en gezegde-poëzie. De keer Penning is een dichter, niet in schijn, door zwierende vormen, maar in waarheid door de gevoelde en geziene dingen, die hij meesterlijk, als schoonheid, zegt.

Sluiten