Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van een boek dat ik bespreek, ofschoon sommige lezers dat wenschen. Maar dat zijn dan niet de ware lezers, neen het zijn eenvoudig de lieden, die tegenover anderen graag den schijn aannemen, als kenden zij een boek door-en-door, terwijl lij toch in geen enkel opzicht iets meer er van kunnen weten dan wat zij er over gelezen hebben in de uitvoerige recensie, die zij vluchtig doorbepen in een tijdschrift of een courant, maar die door de haastige nonchalantheid, waarmede de heeren beoordeelaars voor het meerendeel*) verpbcht zijn te werken, van tijd tot tijd *) niet al te precies weergeeft wat er staat in het boek. Ik zelf daarentegen heb altijd gehandeld, als bier volgt bij ieder boek, dat ik bespreek. Ik lees het langzaam van a tot z, iederen volzin, ja ieder woord, met mijn binnenste wezen gewaarwordend,en als ik een hoofdstuk uit heb, begin ik het vaak weer opnieuw en lees ket nogmaals door totdat ik weet want voek dat ket geheel en al het eigendom is geworden van mijn aUerdiepsten onbewusten en meest objectieven, want buiten alle aardsche zorgen en beslommeringen, en eventueel menschebjke sympathieën of antipathieën in het Diepre Zijnde levenden geest.Alles van het boek, of een kleiner gekeel, laat in die zuivre, die onbevangen Diepte, die buiten aUe aardsche kleinigheden, buiten alle kinderachtige kwesties leeft, en die dus zuiver argeloos kan heeten, een onbevangen zuivren indruk na, en deze geeft zich dan, als ik daarna zoo als altijd, kalm ga schrijven, vanzelf weer in het woord, dat ik weet niet waar vandaan komt; neen, uit mijn pen vloeit het rustig op het papier neêr, het eene woord na het andere, zóó dat het staat. Zoo gaat het met mijn proza, niet minder dan met mijn verzen, en vandaar dat ik wel eens spreken mocht van mijn Binnendiepte, die aUes van en vóór mij, neen, eigenlijk voor anderen doet. Zoo krijg ik zelf en ook mijn lezers een indruk van het geheel, en dat bjkt mij een betere wijze van beoordeelen, dan het vluchtig en losjes hier en daar ineen boek kijken, en dan buiten elk verband met het omringende, want van dit laatste heeft men geen kennis genomen, over een plaats heen te . gaan vallen, die ons toevalhg een beetje mishaagt, omdat men de rest niet kent".

Vervolgens wordt in groote trekken het gegeven geschetst en een proef gegeven van Houwink's beschrijvingskunst.

Hiermede is Gutteling op dit punt weerlegd. De overbekende theorieën mochten omstreeks 1900 nog wel eens herhaald worden want er werd niet naar geleefd, en gruwelijk saai waren de algemeene be-

1) De cursiveering van mij.

Sluiten