Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en krachtig waren". „Zijn schrijfwijze is telkens hakkelig en gemaniëreerd. Kloos is het type van een geheel en al persoonlijk verslaggever geworden".

Gutteling raakt kier een probleem van de allergrootste beteekenis, want wat is een kriticus zonder stijl. Wat stijl eigenlijk is, dat zegt hij niet.

Laten we beginnen met hier tegen aan te voeren dat het wel zonderling klinkt, dat Kloos na een zeker jaar: Anno Domini 1894, van zijn stijlvermogen beroofd zou zijn; zonderling, omdat er niets zoo persoonlijk is als juist dat vermogen. Stijl is een eigen manier van schrijven, waardoor men zijn lezers weet vast te houden en te overtuigen, nietwaar? Vooral in het essay en de redevoering is het iets voornamers dan vlotte spreektaal, al zit die er onder verborgen. Het is individueele natuurlijkheid gebracht op een hooger plan, gedwongen tot een kunstigen vorm. Is die vorm afwezig, dan is er van stijl geen sprake, maar alleen van taal. Zelfs een spontaan schrijver als Multatub hééft dien vorm. De allereerste voorwaarde van dien vorm is hart: d.w.z. ernst, overtuiging, met den achtergrond van deskundigheid; dn moed, die er niet voor terugschrikt, ket pubhek desnoods te ontstellen, n.1. wanneer door stilzwijgendheid de waarheid in het gedrang zou komen. Zijn die eigenschappen aanwezig, dan blijft de taal in onmiddellijke aanraking met de werkelijkheid. Zij is vrij van scribenten-ijdelheid, welke léege woorden geeft voor gedachten, slap gesukkel van futlooze zinnen in plaats van rhythmische veerkracht. Geladen met een werkzamen hartstocht, een aktieven wil, warm opwellend uit bet hart, kan zij, de taal, in haar volle macht verschijnen en behoeft alleen (en nu noemen we de tweede voorwaarde) als helpster de regelende Bewustheid, die scherp heeft te lettön op alles wat den nadruk, de helderheid kan schaden of verhoogen.

Zoo dit waar is, dan staat het voor mij vast, dat Kloos zich ook in den proza-stijl der geïncrimineerde bundels kritieken ten voUe keeft gehandhaafd, al moet ik toegeven dat kij zich later meer dan eens laat gaan in een overbodige uitvoerigheid. De les der Antieken om in alles de juiste maat te betrachten zal eeuwig van waarde blijven. Ik bedoel hiermee niet, dat Kloos zich had moeten onthouden van het ontwikkelen zijner diepzinnige beschouwingen en peilingen van het psychische leven, wanneer daartoe aanleiding was. Ook niet, dat men niet geboeid zou kunnen worden door bet schouwspel van zijn zich steeds meer verfijnend en dieper doordringend onderzoek der dichterbjke creatie; want ik ben niet de eenige, die Kloos' subtiel vernuft

Sluiten