Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overtuiging. Zijn stem klinkt van diep uit, ernstig en zielvol levend. Zijn uitspraken zijn het tegenovergestelde van vluchtige invallen en allerminst geschreven ter wille van ijdele schittering. De feiten worden ons, met een eigenaardig accent, zoo meegedeeld, dat wij ze als betrekkelijke waarheid voelen; rustig loopen de zinnen, rekken zich de perioden, evenals in een avondlandschap, vóór bet duister invalt, de schaduwen lang zich strekken en in het late bcht de dingen een grooter nadrukkelijkheid schijnen te krijgen. Zoo is bet ook met de kronieken van Kloos. Meer dan in zijn allereerste is er rust en bezonkenheid. Het is de stijl niet van den nuper-puber, maar van den veelervaren man, die zich den tijd gunt om alles precies te zeggen zooals hij bet voelt opkomen in zijn kabn-denkende hersens:

„Toen ik nog een jongmensch was, en mij door mijn eigen, uit mij zelf opkomende gedachten, wier waarheid ik objectief onderzocht had, heelemaal vreemd voelde staan in de toenmalige wereld, die nog zooals toen de toestanden waren, in alle opzichten bij verouderde conventies zwoer, zoodat ook de recensenten dier dagen niet anders deden dan gedachteloos, eenmaal vastgestelde uitdrukkingswijzen herhalen, zonder dat hun eigen dieper psychisch wezen daarbij eenige medewerking verleende, toen was de eerste vaststaande Idee die na veel rondkijken en onderzoeken en diep denken in mij opkwam, die der zuivere Schoonheid. En ik kwam tot de slotsom, dat deze, de Schoonheid, bet hoofdbeginsel bad te zijn der waarachtige bteratuur. Want ik verstond onder de „Schoonheid" het echt-diep, dus psychisch gevoeld zijn der woorden van een literair kunstwerk, omdat zij de volmaakte weergave hebben te zijn van het allerbinnenste gevoel des auteurs.

En ik ontdekte toen voor deze literaire schoonheid de grondregels en wetten, waardoor zij beheerscht wordt, zoowel als, toen tenminste uit de verte reeds, den geestelijken oorsprong waaraan zij haar Aanzijn dankt".

Met een paar adjektieven als „hakkelig" en „gemaniëreerd" en „niet schitterend", kunnen we ons van Kloos' stijl niet afmaken, zelfs niet in een vluchtig geschreven weekblad-artikel. In werkelijkheid is, afgezien van wat te groote breedvoerigheid nu en dan, Kloos' stijl in wezen dezelfde gebleven. De jeugdige invallen van vernuft zijn minder talrijk, maar er is de zelfde breed en forsch golvende rhythmus; er is minder statig-deftige zwierigheid, die in de eerste stukken, na ± 1880, wel eens over kon hellen tot manier, maar even goed als vroeger vindt men er de opluistering van fijn uitgewerkte en beeldende vergelijkin-

Sluiten