Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen. Dit is hier slechts onvolledig aan te toonen. Laat de lezer om te beginnen zelf oordeelen uit enkele citaten, die ik bij mijn voorafgaande beschouwing beb moeten inlasscben, waarbij ik op stijl niet heb gelet, en voorts op eenige andere die ik nog volgen laat, om zich daarna af te vragen of Gutteling en Van Eeden c.s. juist en billijk hebben geoordeeld. En laten ze vooral zelf lezen en zelfstandig keuren, met ernst en goeden wil. Ik geef voorbeelden. Ten le over Van Deijssel:

„Ja, zijn heele leven heeft Karei Alberdingk Tbym altijd door iets bbjvend-goeds en menigmaal zelfs iets sterk-ontroerends want iets uit een diepere laag van zijn Psychisch Wezen rijzends geschreven, zoodat ik als ik alles wat hij voortbracht mij te binnen haal en met een oogopslag overzie, eenigermate het idee krijg, als zag ik een uitgestrekt Egyptisck bouwwerk, zooals men ze op afbeeldingen aanschouwt, waarin de lange rechte lijnen van het groot-begrijpende intellekt de overhand behouden, maar welks muren tock overal bezet zijn met fijn-ingegrifte voorstellingen, met zacht-aangegeven kleuren, en dat alles gedaan in strenge maar tevens weeke, in als hiëratisch-stillen, maar tock altijd levensvollen stijl. En zoo voelt men aldoor een levend mensch, een ver diep-in naakt hartstochtelijke van geestelijke passie, maar door den nog dieper-liggenden Vrede van zijn super-geestel ijke Onbewustheid tot harmonie, dus tot de schoonheid gekomene, die krachtig-vast en tegelijkertijd breed-teeder tot ons spreken gaat, zoodra men hem leest. O, te schrijven uiterlijk kalm maar innerlijk-diep, omdat men zich in die verste diepte rustig-egaal, maar waarachtig zielvol-levend voelt, dat is het ware kenmerk der wezenlijk groote schrijvers, en daarom kan men zeggen, heeft altijd en overal iedereen ongelijk gehad, die in geringere belangrijkheid zich op wou stellen tegenover hem, zooals men dat wel eens heeft geprobeerd" 1).

Opzettelijk neem ik als tweede voorbeeld een beschouwing over een anderen grooten schrijver, dien ieder kent: Jac. van Looy 2).

„Natuur en menschelijkheid, die overal om ons henen webg opschoten, bloeiden en tierden, juichten of weenden, wij zijn er aan voorbij gegaan, zonder belangstelling, blind en gesloten, als bestonden zij niet. En wij meenden heel wijs te zijn, maar waren dat toch in geenen deele, want wij hebben een deel van het menschebjk genoegen, en wel bet beste en bbjvendste deel er van, moedwilbgbjk gemist. Daar hadden wij geen tijd voor, denken wij tenslotte als wij er aan denken, wanneer wij ket koofd ter ruste leggen, en bevroeden niet, dat wij,

1) Lett. las. en Vergez. XVI, (1931), Lodewijk van Deyssel (Gedenkschriften).

2) Nieuwere Lit. Gesch. Dl. IV (1906).

Sluiten