Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer, zal gaan doen, als den sterk-zienden en sterk-gevoelenden, stevig op den bodem der sckoone realiteit staanden, onvergankelijken Meester, die Hij is" 1).

Juist uit een stijl-oogpunt is er nog zooveel moois in Kloos' kritisch werk na de Veertien Jaar Literatuurgeschiedenis. Laat men eens lezen hoe bij in zijn Bloemlezing Heinrich Heine als Dichter van 1906 den dichter van bet Bucb der Lieder vergelijkt met Goethe, met Arnim, met von Platen, met Novabs; waar hij b.v. Die Nordsee stelt tegenover de Hymnen an die Nacht, door beeldende taal de romantische sfeer voor ons oproept en doet uitkomen wat kij keeft leeren zien als de karakteristieke eigensckappen van kun verschUlende persoonbjkheden:

„Goetbe's lyrische kunst gebjkt een stillen, wijden vijver, waarop vele groote, gave, rustig-filosofische plompbladen drijven, en daarboven wiegelen zich hier en daar fraaie bloemen in geelwitten vreë. En door abes heen schieten, met snelle bewegingen, sierbjk-geteekende insekten keen en weer.

Wij liggen aan den oever, en kijken naar alles, naar ket spiegelende water, de groote, bleeke bloemen, en der kleine diertjes meandrischwarrelend, geestig spel. En ons voorover naar de diepte buigend, zien wij, door de kristal-klare lagen, tot op den bodem met het geheimzinnig geweef en gespriet, en soms in een suggestief Nóg-dieper-in.

Zóó kunnen we uren lang toeven, zonder sterke emotie, behaaglijk ons voelend, bedaardj es-genietend, totdat we langzaam-aan 't geheele weten van ons-zelfverbezen, en als in een halven sluimer vallen, omdat abes voor ons wegtrekt in een mist. We onderscheiden zelf niet meer de verspreide wonderschoone zonnescMjn-fhkkeringen, die over den vijver vbegen omdat wij, door 't langdurige en gelijkmatige van abes, voor abes een beetje ongevoebg zijn geraakt.

Zoo'n indruk maakt de lyriek van Goethe, om welke te genieten men zeer harmonisch gestemd moet wezen, voorzien van een beetje vreedzaam geduld, zoowel als van een goede dosis oplettendheid. Want, om de volle waarheid te zeggen, is die lyriek óók wel eens wat statigbjk-eentonig, abstract-verzekerend; en haar wezenlijke schoonheden, maar die dan ook zéér fijn zijn, zijn van een zóó bchtkleurige, luchthartige gedragenheid, lijken zóó op de tinten van het paarlemoer, of op het vluchtige stof van vlindervleugels, dat men op een bepaalde wijze zich op moet stellen, om ze waar te nemen, en er absoluut niet naar tasten mag met de grove hand.

1) Nieuwere Lit. Gesch. IV, 237 vlgg, naar aanleiding van Feesten.

Sluiten