Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo is de vaak aan zichzelf ongelijke, soms academisch-statige, zwart-geda8te, deftig-rokkige, officieele rijmer, maar tevens, in sijn beste oogenbbkken, als aetherische, want vèr-staande en toch dicht* bije, wonderzacht kleurige, vogelstemmige lyrische dichter, die Goethe is geweest.

Maar neem daar nu eens Heine bij; hoort gij dan niet een ritselen en een ruischen als van duizenden beekjes langs een ruige berg-hebing; heldere beekjes en troebele beekjes, die kletsen en babbelen, die murmelend huppelen, en dan plots neerschieten als een glanzende pul? Maar ook donkere beekjes zijn er, verscholen klagend onder het melanchohsch-overhangend loover, om dan plots sich te vereenigen tot een breedere en stillere strooming, die, hooploos-krachtig, loodrecht in den afgrond naar beneden stort: zuchten en stenen en klagen hoort men, maar abes gedempt door schoone zelfbeheersching; en vaak ook schijnt het zelfs, of de wateren luidkeels lachen of schrilkens giechelen, omdat er plots een werd opgetild door een steen in sijn weg, en er aan den anderen kant weer afplonst met schaterend geraas".

Uit de „Geisthche Lieder" van Novabs heeft Kloos het roerende lied aangehaald dat begint:

Wenn alle untreu werden So bleib ich dir doch treu, Dasz Dankbarkeit auf Erden Nicht ausgestorben sei. Für mich umfing dich Leiden, Vergiengst für mich in Schmers. Drum geb' ich dir mit Freuden Auf ewig dieses Herz.

Oft musz ich bitter weinen Dasz du gestorben bist Und mancher von den Deinen Dich lebenslang vergiszt. Von Liebe nur durchdrungen Hast du so viel gethan, Und doch bist du verklungen Und keiner denkt daran.

„Zóó spreekt de waarachtige ziel van een mensch: geen grein nuchter-

Willem Kloos. 17

Sluiten