Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid, zeurigheid of dagelijksch praten valt hier te erkennen, en toch is alles zoo duidelijk: 't is de diepste essentie van 's dichters geestelijk leven, even klaar en prachtig-eenvoudig uitgedrukt, of hij het over de gewoonste en meest alledaagsche zaak had, die er maar ter wereld kan bestaan.

In zijn soort is dit even schoon als een vers van Shelley. Maar als Shelley's verzen niet-altij d-even-vlug-te-vatten, subtiel-zicb-sbngerend vioolspel zijn, klinkt dit vers van Novabs, daarbij vergeleken, als een fbnk-teere, eenvoudig-gevoebge herdersfluit.

Naast dit aetherische, als-angebeke van Novabs' schoonste kunst, waarin deze den zuiveren weergalm geeft der mysterieuse muzikale gevoelsbewegingen, die hij diep in de gewelven zijner ziel hoorde ruischen, als de zinnelijke keerzijde van zijn intiemste geestelijke Zijn, en die dan naar buiten kwamen breken in het Woord, beelden en gedachten op haar zacht-breede golving met zich medevoerend, naast deze klare kristalbsatie van een pure menschenziel, deze breed-debcate uitzonderings-kunst van het wel onvolledig-uitgegroeide, en zich zelf in 't geheel niet gebjkbbjvende, maar toeh, in zijn hoogste en tevens diepste momenten, naar waarheid aanbiddelijke genie von Hardenberg geplaatst, — staat Heine als het prettig-krachtige, overal waardeerbare, nooit in vervelende vaagheid of zeurenden woorden-overvloed vervallende, altijd leesbare, steeds onzen geest bekorende en bezighoudende, diep-in sobede, meesterbjke talent. Men kan hem opslaan, op welke bladzij men wil: stellig vindt gij daar iets, wat u zal aantrekken, waar gij bij glimlachen, waar ge met hem meevoelen, waar ge hem zelfs om bewonderen kunt, want waardoor ge een aanvoeling van iets goed-gezegds en vaak ook van iets wezenUjk-menschebjks krijgt".

En dan de vergelijking tusschen Heine's DieNordsee en de Hymnen an die Nacht:

„Welk een verschil tusschen die twee!

Heine te lezen is als een wandebng door een drukke badplaats: hier klinkt muziek, ruischen levendige bederen, en dartelen kittelende klanken voor ieder's genoegen; daar hoort men gesprekken, vlotte, opgewekte: alles draagt er het karakter van oppervlakkig leven en wereldschen zin. Men vindt er veel mooie dingen, maar die toch inderdaad meer fraai zijn dan schoon: vluchtigheid, luchthartigheid is de grondtoon van abes, vermengd met wat elegante aansteUerij: losse bevalligheid en een lust in heel oppervlakkig vermaak nemen de plaats in van psychischen ernst: het gevoel is er niets dan een aangename mode, en vaak wordt men er verrast, maar zeer zelden verdiept:

Sluiten