Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdstuk XVII — DE LYRIEK NA 1922

Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen, alzoo schreeuwt mijne ziele tot u, o God!

Mijne ziele dorst naar God, naar den levenden God: wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen! Psalm 42.

WANNEER Busken-Huet's meester, Sainte-Beuve, zich rekenschap trachtte te geven van de psychologie van den auteur dien hij beschrijven wilde, vroeg hij zich af hoe die auteur zich verhield tot de Liefde, den Godsdienst en den Dood. We hebben gezien wat de befde voor Kloos beteekende, èn de godsdienst, en óók de dood. Het zijn juist de verschijnselen of problemen die hem, na zijn jongelingsjaren, zijn gansche leven hebben bezig gehouden, de twee laatste niet uitsluitend, maar meer in 't bizonder, nadat hij zijn befde had uitgezegd, of bever, nadat verloving en huwelijk de spanning en onrust van een onbevredigde erotiek hadden weggenomen. En nu is het opmerkelijk, maar voor wie Kloos kent, vanzelfsprekend, met welk een hartstocht, dus met welk een ernst en vasthoudendheid, hij zijn voelend denken hierop heeft gericht. Het is de ernst die den wijsgeer dwingt, in zich zelf afdalend en schouwend om zich heen, te zoeken naar de goddebjke waarheid; het is de volstrekte toewijding aan het Wezenlijke Zijn, waarbij de bekommering om de onbeduidende tijdehjkheden moet vergaan in het niet. Hij kon niet anders dan „God" en de wijsheid beminnen met aUe macht en daarom moest hij ervan getuigen, zooals Hendrik Laurensz Spieghel, zijn stadgenoot uit de 16de eeuw, het in zijn Hertspieghel heeft gedaan; hij deed het in een taal welke in steeds zich vernieuwende vormen de steeds rich herhalende pogingen te aanschouwen geeft om worstelendin-zelf-bezinning de verborgenste zaken tot betrekkelijke klaarheid te brengen.

Deze intense ernst zat reeds in den jongen Kloos van 1878. Der hetaere Rhodopis legt hij woorden in den mond die als levensleer

Sluiten