Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Want daar leeft Zijn's al-eeuwge Ziel, Die alles toe gaat fluistren Hèm, die, als in devoot gekniel, Stil-eerbiedvol leert luistren.

van zóó grootsche poëzie een voorspel zou zijn!

Dieper Levensinkijk, een rij van twintig Spencer-strofen (ab ab bc bcc) is een samenvatting van zijn gedachten over den historischen gang der menschheid, en tegebjk een weerslag van den wereldoorlog met zijn verschrikkingen. Gekeel anders dan in 1893, toen hij in Verleden, Heden en Toekomst den triomf der Sckoonheid voorspelde, ziet hij thans het menschdom als de „eeuwig-dreigende Oceaan" die door „den wind der „On-rede" voortdurend bewogen wordt. Daarom heeft de wijze niet anders te doen dan in eigen Binnenst af te dalen en zoo te naderen tot het Goddelijke, waar kij de waarheid zal vinden. „Wees geen dwaas strijder voor 't maar half-verstane", roept hij den lezer toe, maar tracht naar de vereeniging met 't Eeuwige, waar steeds

Der AUergrootsten voelend denken henen Toog zonder spreken, en hun diep-in weenen Naar meer dan 't Leven geeft, want grijpen mag, Verhelend met een zachten zondoorschenen Maar vlug in weemoed weer vergleden lach, Vóórschemering van 's Doods geheimen, hoogsten Dag.

Is dit „Lebensverneinung?" Neen. Want toch, bij den diepen afschuw van de wereld en haar verwildering, bij het sterke persoonlijke verlangen naar ket Groote Gekeim, den Dood, — werden Shelley, Byron en anderen niet door het zelfde verlangen gefolterd? — is er ook een groote befde voor het Leven, voor zoover het zijn eigen ziel heeft doen groeien en rijpen tot een hoogere waarde:

XVI.

Maar niets van Dood Alleen het Leven, 't volle,

Het rijke en altijd durende voor hèm Die met de vaart zijns vasten wils te rollen Wist door zijn wendingen, wijl klaar zijn stem Bij 't stijgen van de baan, met grooter klem Verkonden kan wat keel zijn ziel doorbeefde

Sluiten