Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar wat nu verder, meer geen schroom betemm'. Neen, 'k zweeg niet langer wat mijn Zijn doorstreefde Van de' eersten aanvang, dat mijn stille geestkracht leefde.

XVII.

Glorie daarom aan al het ondervondne,

Glorie aan lach als smart, aan vreugd als pijn,

Glorie aan heel het duizendvoud-doorwondne

Deeltje van 't Alzijn, dat ik noem het mijn'

(Zoolang 'k een diep-in levend mensch mag zijn)

En noemen blijf zoo, daar ons diepste voelen

Eén is met de' opzwaai die door alles gaat

En met haar nooit benaderbaar bedoelen

Zonnen, heelaUen, om heelalzon draait

En als een vreemde geestesstorm door óns ook waait.

XVIII.

Nu gij dit zongt, o dichter, buig u neder Diep in U zelf voor 't innigst deel uws Zijns .... t Is aller Zijn, niet 't uwe alleen, maar teeder Noemt elk 't het Zijne, in kinderlijk gepeins. Abes is één, een golfje des gedeins Ieder, in 't vloeien aller dingen wiegend, Een weerglimp in den glans des eeuwgen Schijns Maar uit dien Schijn toch (die weer wijkt, bedriegend), Naar 't eeuwge Zijn, naar de eenge Waarheid opwaarts vbegend.

Het gedicht eindigt, plechtig, met een innig en prachtig „Envoi", een opdracht aan zijn vrouw:

XIX.

Nog eenmaal vóór 's Lieds allerlaatst verzinken

Weg in de diepte van 't verstild gemoed,

Zullen zijn klaarste en liefste tonen klinken

Voor Haar, die zuiverst is en hoogst en goed,

Voor de Edel-sterke, die met kalmen moed

Steeds stand hield in den donkren nacht der jaren,

Als vaak des Levens aangestormde vloed

Verrijzend tot een wal van donkre haren,

Voor ons, die niets dan twee getrouwe werkers waren,

Sluiten