Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Willem, het komt me voor dat je nu je meesterwerk schrijft". Het gros van ket pubhek denkt er anders over. De Binnengedachten worden niet heel welwillend beoordeeld. Het is volkomen te begrijpen. Voor dézen zullen ze te egocentriscb zijn, genen voelen niets voor ket gewoonbjk metaphysische onderwerp, keel anders gestemd dan Coleridge die ziek juist tot metapkysiscke gedichten voelde aangetrokken wegens hun geheimzinnigheid, en anderen weer missen er de gladde gaafheid, de melodieuze taalmuziek, die ze nu eenmaal van poëzie verwachten, en ze merken niet dat hier iets anders is van oneindig meer belang: dat deze verzen uit de ziel zijn geschreven en hun echtheid en eerlijkheid boven aUen twijfel verheven is. De Binnengedachten zijn echt, even echt als de mysterieuze oerkrachten van de natuur. Er is hier een krachtige, breed stuwende beweging, zooals in de golven aan het strand der zee, wanneer in onzichtbare verten, wijd achter de kim, een zware wind is opgestoken. Alle te zamen geven die verzen, oppervlakkig, gezien, den indruk van eentonigheid. Maar, zooals de duizenden golvenreeksen van de zee nooit geheel de zelfde zijn, zoo is er ook altijd door in deze sonnetten afwisseling van woord en klank.

Hun gedachten-beloop stuk voor stuk nauwkeurig weergeven en precies beschrijvend toebebten zooals ik het deed bij den eersten bundel Verzen, is ondoenlijk. Maar dit behoeft ook niet. De levensbeschrijver heeft genoeg gedaan wanneer hij in geest en vorm dezer gedichten den lezer heeft ingewijd. Deze heeft er zich op voor te bereiden dat hij niet veel nieuws hooren zal. Volstrekt nieuwe nog niet door den dichter uitgesproken denkbeelden zal hij er niet in aantreffen;

I een evolutie in den inhoud van des dichters denken vertoonen de Binnengedachten niet. Omstreeks 1920 immers heeft Kloos' wereld-

j beschouwing haar beslag gekregen. Alleen is er deze ontwikkeling, dat Kloos op den weg der bezinning steeds verder komt, steeds meer erin slaagt, in zwoegenden arbeid des geestes, zijn zielsnood en hooge hunkering met de best gekozen woorden uit te zeggen.

Hij had altijd uit de diepte geleefd, over het diepere Zelf nagedacht en was zoo gekomen tot de voor hem vaststaande waarheid, dat men de Eeuwigheid, wanneer die ooit in het leven te grijpen is, alleen in ziek zelf beleven kan. Hoe meer hij gekweld werd door het Goddekjke geheim, hoe meer hij zich in zich zen7, dat is in God verdiepte, des te onverschilliger werd hij voorde „werreld die zoo dwerrelt". De onwijsheid dezer wereld, haar verwarring, verwildering en hulpeloosheid, waren wel geschikt om zijn natuurlijke neiging tot introspectie en rebgie te versterken. Het ging hem allengs gebjk de apostelen (met dit

Sluiten