Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verschil dat hij zich niet als spreker onder de menigte begaf) en alle anderen, Voor wie het zoeken van God een hartstocht is geweest. Opnieuw bleek dat Albert Verwey het bij het rechte eind had, toen hij schreef: „Hij is dan toch maar de hartstochtelijkste mensch in Nederland". Want wat voor de massa nu juist de ware werkelijkheid beet: de kleinere en grootere smarten en vreugden, de ijdelheden en ijdelheidjes, de jacht naar aanzien, geld, genot, de prikkelende maar ook wreede strijd om het bestaan, enz. enz. was voor hem een schijnvertooning, een zotte komedie, een dikwijls-gruwelijke rolfilm zonder dieperen zin of — hoogstens enkel bijzaak en niets meer. Hij kón niet anders dan ziek voegen bij de kleine schare der dieper-levenden, die zooals Plato ket ons in zijn „Staat" beschreven heeft, de oogen gericht houden op het bcht, terwijl de groote menigte, met den rug naar bet heldere schijnsel, in het donkere hol zich vergaapt aan de bekoorlijke en veel belovende, maar onreëele schaduwbeelden van wellust, weelde, aanzien en andere streelende begeerlijkheden die bewegen langs den wand. Intusschen zou Kloos geen mensch maar een Heibge zijn, wanneer hij zich van alle aardsche bekommering en onvolkomenheid had losgemaakt. Ook de wijsgeer immers is niet meer dan een leerling, die er naar streeft, volstrekt goed en wijs te worden.

Rijp man van ervaring en bezinning, streeft Kloos ernaar, een gelaten, als-stoïcijnsch wijsgeer te zijn, die bet reilen en zeilen der wereld van uit zijn kluis met kalmte beschouwt. Wanneer de aanblik al te pijnlijk wordt, vindt hij zijn toevlucht in de overpeinzingen over het ware Zijn, of in het warme denken aan goede vrienden, maar bovenal aan twee menschen, hem boven allen dierbaar: zijn vrouw, Jeanne Reyneke van Stuwe en zijn moeder, die hij nooit gekend heeft: Anna Cornelia Amelse.

Neen, bij al zijn stoere vastheid van wik een Stoïcijn is hij niet; anders zou hij niet zijn opstormende aandoeningen telkens den vrijen loop hebben gegund; niet zoo telkens en telkens de verbittering en het oude leed over wat hij voelde als verraad en miskenning, opnieuw hebben opgeroepen uit het verre verleden, vaker dan voor den lezer aangenaam is, in plaats van het prijs te geven aan de vergetelheid. Ach, wat moet hij geleden hebben, dat hij het niet laten kon, zijn zuiverste bcht door de zwarte wolken van opstijgenden wrok zoo dikwijls te verduisteren. Zwaar blijft het verleden drukken op zijn hart, dat maar niet los raakt van het oude leed.

Hiervan blijft hij vervuld, hiervan moet hij getuigen. Dit is de schaduwkant van de Binnengedachten. Had hij zich geheel kunnen

Sluiten