Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Moest menigmaal mijn mond snel aadmen, toen de zware Machten Van Toorn en Pijn, die in der Menschheid Afgrond tronen, trachtten, Met hooge vuist mij heffend, mij te maken 't Instrument,

Dat, sterk-streng straffend, delgde Onwaarheid. Trotsch toen vocht

['k met kwaden. — Wijzen dat wisten — Laas, ik deed alleen mijzelven schade, Omdat dees Aarde eerst langzaam-aan het kwade als kwaad erkent.

N.G., 1926 I, 148, blz. 28.

Deze verzen hebben natuurlijk niets gemeen met wat de gangbare aesthetiek als schoonheid erkent. Zóó ongenaakbaar-ver als de hemelhooge Alpentoppen verwijderd zijn van de dorpen in het dal, waar de menschen wonen met hun dagelijksche zorgjes, hun vreugde en hun smart, zoo oneindig ver staan vele dezer Binnengedachten in hun eenzaamheid en soms barre, wilde grootschheid buiten alles wat voor den gemiddelden lezer aantrekkelijk of bekoorbjk is. We vinden er niet het zacht-bloemige en dien „onbeschrijfebjk zwevenden geur" die volgens een te beperkte begripsbepaling van den jongen Kloos, van de poëzie „het zekerste kenmerk" is. De zinsvoeging is wel eens tot duister-wordens toe gewrongen en ingewikkeld, de diepe gedachte soms moeizaam geperst in het kneUend gareel van het sonnet. De wetten van het klinkdicht zijn hier met verloochening van de traditie voor een deel ter zijde gesteld: lagere woorden uit de dagelijksche omgangstaal zijn niet zeldzaam, de versregels zijn, althans in de latere gedichten, tot zeven jamben uitgerekt, eene breedheid die zelfs in de zeventiende eeuw nergens wordt aangetroffen en tot de uiterste grens gaat van de adem-capaciteit; de terzinen hebben in de meeste sonnetten dezelfde twee rijmklanken als de kwatrijnen. Niets ligt dan ook den dichter zoo ver als ket bejagen van de gunst der massa. Hij schrijft zooals hij schrijft, omdat hij niet anders kan:

'k Schrijf nooit expres voor menschen,neen, alleen maar wijl ik moet; Ht voel me als op den grond van 't Eeuw'ge dansen, stil bewogen Want onder mij geheime Diepte stuwt en dringt ten Hooge, Zoodat mijn lijf wijd siddert vreemdlijk van een zachten gloed, Die meer dan aardscb schijnt, niet des Levens is, en eindloos-zoet Mij dringt naar verre streken

1925. I, 82, blz. 168.

Sluiten