Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oneindigheden dus (waar nu, met luchtig geestlijk schuimen, De golven der gedachtezee bedaard naar klotsen) van

Dees aarde tot bilhoenen Aldebaran-verten, span Voor span doorspeurd geworden, niet meer voor Verbeeldings luimen Een ijzig spel zijn moesten, ja, als de eeuwig'ongestuime Macht van uw diepsten Voel-wil plots zich van dén sterken ban

Der Stof en Sterflijkheid, die hem nu kerkeren, bevrijdend

Zou duiken gaan, langs alle windingen der Levenslijn,

Tot in ket Diepste, wat men Ziel noemt, zou men daar een lijdend

Mysterie treffen, of, met schrikken, Leegte zonder Zijn,

Ja, zonder Leegheid zelfs, zóó dat, na terts van gruwbjk duizlen,

Ons Zelfzijn eensklaps Niets wierd, als waar 't vluchtig windesuizlen?

1924, I, 25, blz. 429.

Ach! 't opgaan wijd in 't Al-oneindig Zijnde, Waar dan onze innerbjkste Zielspracht vrij Van 't Ik-gevoel en abes, weetloos-bbj, Meê met de onzienbre Golf der Alziel deinde ....

Zou daar verlangen zijn nog? Neen, de rei Van snelle zonnestelsels zonder einde Volgt in zichzelve alleen den strak-gelijnden Al-wil des Onverstaanbren. Zalig, zij,

Die nooit, ook iets maar, voor ziek zelf verlangend, Omhoog zien, met een vastgestemd gemoed, Naar dier systemen eindeloozen stoet,

Die, als juweelsnoer naast juweelsnoer hangend,

Slechts één moment in God's Gedachte-lijn,

Eén vaag bcht plekje in 's Als wijd Duister zijn.

I 1924, I, 26, blz. 430

Al in zijn eerste jeugd werd hij geplaagd door dit groote Verlangen. Reeds toen was hij een „naar 't Al-eeuwige vaak kongrende Eenling", en als hij buiten bep, om Gouda of de Hoofdstad, langs de groene hoeven, „voelde hij zich doorzoeven van weemoed, als hij diep in weeïge luchten keek" (1925 II, 132, blz. 278).

Sluiten