Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kloos1 Gods-begrip.

Hoe Kloos zich God denkt weten we al uit „Verleden, Heden en Toekomst", uit Verzen III en het gedicht Mystisch Pantheïsme. Het probleem blijft hem bezighouden. God is de worstelende Kracht welke streeft naar zelfverreining en zelf-bewustheid.

Nooit is God er nog in geslaagd, zijn diepste Godskracht uit zich zelf omhoog te stooten. „O, mochten we eens de onthulling der eeuwige Waarheid beleven!"

Al wat gij ziet is Schijn, mijn Ziek gij voelt het, weet het: Schijn, daar 't vergeefs verschijnt, 't Zijnde daarachter levend En door dien vlotten Schijn zich zelf gansch te uiten strevend, MiHioenen eeuwen stil en sterk daarnaar reeds streed het.

En om daar eindUjk toe te komen waarlijk, gleed het In vorm des zienden en gezienen Schijns, wild-bevend Zich te openbaren aan Zich-zelf. Maar och, steeds wevend Een vluchtig spel van vormen en gedachten, deed het

Zich zelf toch altijd onrecht. Hoe fijn-kunstig spelend

Het zich ook half verried op eindloos veel manieren,

Nooit nog 't zijn diepste Godskracht uit zich zelf omhoog stiet

'k Smeek, mochten we eindlijk eens heerlijk-volledig vieren De al-klaarste onthulling eeuwger Waarheid in een hoogbed! Want dit steeds hoop-loos-grijpend pogen wordt vervelend.

1924, I, 33, blz. S66.

God is de groote Al-onbewuste, buiten Tijd/En Ruimte, willend zonder weten, 't Eenig Zijnde

Dat, volgens weefsel van onbreekbaar vastgelijnde

Wetten zijns diepsten Noodlots, alles godbjk leidt,

Niet ziende, of al 't geboorne vreugd heeft dan wel lijdt,

Heffend wat opstreeft, nederslaand wat kwijnde,

Daar al wat is Hij zelf is, die begin noch einde

Kent: één sekonde Rust is Hem de Oneindigheid,

Hoe weet gij, mensch, dit, daar gij-zelf een ijdel Schijnen

Móet heeten? Ach, daar God óók leeft in ons, dies pijnen

We ons af, om Hem bewust, Hem wetend te doen zijn.

Sluiten