Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar radlijk 't Vooze wijd-uit rellend 't vlotte Volkje speelt, Luchtig als vliegen zwierend door 't dwaze Aanzijn, 't Waarste lakend Want voor niets aêrs dan vluggen vloed van fraaie woorden blakend, Klein-blij, dat wanen waaien, waar graag 't oor zich ijl mee streelt.

Kalm op Uw rotsge Steilten, o Gij, Zielsoneindge, wakend Door pijnen, stoer-gedempt in oogen paarlemoeren, makend Vergeefs tot spieglen zich voor 't Menschdom, door Uw Wil geheeld

Maar dat dan dra weer vliedingen van wolken ongebakend Na-drentelt, waar Gij, weenend, God, om glimlacht, totdat stakend Uw diep-wijs leeren eindlijk ge u in 't Eeuwge opeens verheelt.

1926, II, 211, blz. 429.

Zijn gedachten over Poëzie, haar wezen en haar doel, staan hiermede en met zijn godsvoorstelling in het nauwste verband. Hij heeft een afkeer van rijmen die maar rijmen zijn, een poëzie zonder inwendig gloeiend leven. „O zwijgt, die diep niet zijn kunt als een zee!" (1925, I, 106, blz. 701; 1924, I, 295, blz. 25; 1924, II, 48, blz. 88). Daarom zal hij nimmer zooals anderen „offers plengen aan de losse idooltjes van 't Publiek. (1926,1,152, blz. 32). De innige, eckte Dichters gbjden niet langs de dingen heen; neen, ze staan aan 's Levens paal als Martelaars, ze voelen hun diepsten grond één met al het levende en zoo drijven zij naar 't Al-Eéne, met een onbetembaren wil,

die stijven

Hun zachtheid gaat tot een ontzetting, tot een schrik van steen, Die, diepst-in zwaarder dan een Oceaan bewegend, „Neen!" Durft dondren tegen al 't Onware, Onwijze, dat hier blijven Op dees ebendig-dwalende Aarde, wil de Sterkste, en schrijven Der Wereld-Rede voor, hoe Dees te doen beeft.

1926, II, 224, blz. 541.

Hoe de Poëzie ontstaat kunnen we in de Kronieken dikwijls lezen Hij zegt 't o.a. ook in de Binnengedachten, b.v. hier:

O, zwijgt, die diep niet zijn kunt als een zee ... ., die nooit voelt

[droomen

In eigen Geestes wijdheid, vreemd-geheim, muziek van 't Al, Zooals men, loopend, hoort omhoog een beek plots fel-snel stroomen Op keuveltop, bij 't lijnrecht wenden van een dood-stil dal:

Sluiten