Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Klinkt klaartjes voor een oogwenk, maar is wèg dan weer, want

[boomen

Ruischen vaag-ver, opeens, daartusschen,....

Maar dan eensklaps komen Hoort men, opnieuw, 't lief-rijk geluidje, als van kristallen bal In de' Aether, waar getikt slechts één sekonde op wierd met smal Metaal-staafje en dan stil is 't... . Weet, zoó nadert ook de vrome Want heihg-hchte Poëzie: aanzweeft Zij als aromen Van 't diepste Al-zijnde .... Kritisch peloton, schiet.. .. ! Neen,

[sta pal!

1925, I, 106, blz. 701.

Dat kritisch peloton, het zijn degenen die hem, den Dichter, trachten af te takelen en over de poëzie druk praten in „studies" zonder er iets van te weten. Als ik dat lees, zegt Kloos, „vaart een bcht geschud in me op vaak: 'k voel mijn lendnen bijna breken Van 't luidkeels lachen (1925, I, 107, blz. 702).

Omdat hij alleen voor het Echte voelde en overtuigd was van zijn goed recht, heeft hij de onwaarheid bestreden en in dien strijd tegen vijanden en oppervlakkige praters is hij nooit half geweest: wanneer de storm haast hem omverwierp, stond hij één sekonde verstomd, „en schouder laag dan plots, den rug gekromd Liep ik er, kop voorover, tegen in, kalm-sterk, op 't schettren niet lettend van de kleinen,....

die mal-wijs bij 't prettig knettren Huns warmen haardvuurs schuilend, vrij uit schertsten: „Wel,

[verd

Die kerel is onnoozel, ja onwijs haast: woest hij bromt,

In plaats van lieve bedjes, lijk hij vroeger kon, te kwettren!"

1926, I, 181, blz. 521.

Kloos die kon haten, vermocht lief te hebben ook en zacht te zijn als weinigen. Ik denk nu niet aan de teêre, beve woorden over een gestorven poesje, een zwerveling die in zijn huis zijn toevlucht vond. (1926, II, blz. 452 en 453) maar aan 172 en 173 (1926, I, blz. 425 en 426) waar hij spreekt over een gestorven vriend: WUlem Witsen.

Beter dan stug vergeten is zacht denken, maar dan moet Hij, uit wien glans soms scheen als van mystieke sterrebeelden, Diep-in vervuld geweest zijn waarlijk van dat hoog-uit vroedt

Willem Kloos. 19

Sluiten