Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heerlijk Ontzetten, dat de Ziel heet, en dat vluchtig speelde Vreemd in zijn half-afwezige oogen soms, wanneer hij heel de Breedheid van zijn ingeestlijk schoon-doen gaan liet. Hij 's hoog goed, Voelt men dan blij gemoedbjk en blijft beven, ook al doet Een enkle trek in hem min-prettig aan soms. Dierbre weelde, Een mensch gekend te hebben met titanisch-wild gemoed! Men blijft, door alles heen, hem trouwbjk eeren,....

Zooals ik begonnen ben wil ik eindigen. Toen ik moest spreken over zijn jongebngsjaren, heb ik erop gewezen, wat Zij voor hem beteekend beeft, die hem het leven schonk: zijne moeder, Anna Cornelia Amelse. Aan haar heeft hij zijn eersten dichtbundel opgedragen. Zij was zijn goede Genius en is dit tot bet laatst gebleven. Wanneer hij onwrikbaar kan vaststaan in de stormen van bet leven, dan heeft hij het mede aan haar te danken:

Want, Moeder, Nooit-geziene, bbjft mij wijzen 't Goede, Stuwend mijn ranke, sterke boot langs 's Aanzijns vloeden Naar verre Vredeshaven des diepst-eeuwgen Gods.

1924, I, 11, blz. 167.

Aan het pijnlijk sterfbed van haar, die hij nooit gekend heeft, moet hij dikwijls denken, pijnlijk óók, om haar zorg voor het tweetal dat zij achterbet. Het broertje stierf, hij moest bbjven: zijn lot moest zijn, stil-weg te leven voor God's wijsheid en voor 't Lied. Haar roept hij, in tijden van vertwijfeling, om redding aan en het is hem dan, of zij dicht bij is:

Moeder, die lééd zoo, hoort Gij nooit mij? Zijt ge in 't ijzig-harde, Oneindige Schijn-zijn — Schijn Gij zelf ook, eeuwig-sprakelooze, Want niets meer voelende, vervloeid? O, 't Eéne, waar bij poozen Al menschen over wijsdoen, of zij wisten, in verwarde

Droomen, al te aardsche .... O, God, wij weten niets, verstarden In kinderlijke Wanen, die de vroegeren zich kozen Om 't suf geheim-zijn van Dood's Grond te ombloeien doen door

[rozen....

En toch, mij lijkt, o Lieve, of Uw vereindloosd Wezen marde Niet ver van mij, of 't zag mijn Diepte, en hoe dwaas-begend sarden

Sluiten