Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdstuk XVIII — WILLEM KLOOS' RANG ONDER DE DICHTERS

SAMENVATTING

INDIEN men Eckermann mag gelooven, dan heeft Goethe zich. eens weinig vriendelijk uitgelaten over de lyrische poëzie: „So lange der Dichter blosz seine wenigen suhjektivenEmpfindungen ausspricht, ist er noch keiner zu nennen; aber sohald er die Welt sich an zu eignen und aus zu sprechen weisz, ist er ein Poet. Und dann ist er unerschöpfbch und kann immer neu sein, wogegen aber eine subjektive Natur ihr biszchen Inneres bald ausgesprochen hat und zuletzt in Manier zu grunde geht".

„Zie je, zal menigeen misschien zeggen, dat heb ik ook altijd zoo gevoeld. Die lyrische dichters die het altijd maar over zich zelf hebben, dat is niet je ware!" — Is dit nu juist gezien? Is deze bewering te handhaven voor de rechtbank van de Ervaring en het wetenschappelijk Begrip?

Om te beginnen moeten we in aanmerking nemen, onder welke omstandigheden Goethe dit heeft gezegd. Hij zei het bij het bezoek van iemand die hem met zijn middelmatige improvisaties van subjectieve ontboezemingen had verveeld. Aan zulk een vagen opgewonden lyricus van minder allooi had Goethe geen beteren raad kunnen geven. Maar overigens? — Wij hebben een lyrisch dichter gekend, met een eigen toon, in zijn soort zuiver, zij het niet groot, die met zijn gevoebge en melodieuze bedjes onmiddeUijk op velen en vooral de eenvoudigen indruk heeft gemaakt. Hij heeft den raad van Goethe letterbjk opgevolgd en zich daarmede meer kwaad dan goed gedaan, want een werk als het groot opgezette „Levende Steden" laat den lezer als gewüde tendens-kunst volkomen koud. Toen Adama van Scheltema dat gedicht schreef en zijn proza-boek De Grondslagen eener nieuwe poëzie,

Sluiten